Een versterkt huis in Alkmaar tijdens de 12e eeuw

Belangen van de Egmondse abdij en de Hollandse grafelijkheid

(Door Ben Dijkhuis)
(Update 16-09-2012)
Naar de Torenburg in de 13e eeuw →

Inleiding

Het is alom bekend dat het kasteel de Torenburg, dat Roomskoning Willem II, graaf van Holland buiten de toenmalige stadsgrenzen heeft laten bouwen (ca. 1250), eeuwenlang verbonden is geweest met de stad Alkmaar. De rode toren in het wapen van Alkmaar staat waarschijnlijk als symbool voor deze, sinds de 14e eeuw verdwenen, burcht. Niettemin bestond, reeds voor en wellicht tijdens het bestaan van dit grafelijke bouwwerk, een andere sterkte, of een kleine burcht in de plaats Alkmaar zelf.
Dit artikel bespreekt in het kort enkele achtergronden met betrekking tot de economische en kerkelijke functies van Alkmaar tijdens de 11e en 12e eeuw en de rol die de (St. Adelbert) Abdij van Egmond hierin speelde. Kortom, functies die een versterkt bestuurscentrum binnen de veste van Alkmaar rechtvaardigde.

De abdij van Egmond vanuit het zuiden gezien van een anonieme tekenaar (1600): 'De rijcke abdije van S. Adelbertus tot Egmont Binnen staende'.
Bron: Beeldbank Regionaal Archief Alkmaar: PR 1002499.

Opbrengst van de tol

Alkmaar wordt, zover bekend, voor het eerst genoemd in verband met een schenking in het begin van de 10e eeuw in een uitvaardiging dat aanvankelijk in een aanhangsel in het Evangelieboek van Egmond (Evangeliarum van Egmond)1 te boek stond. Een kopie van de uitvaardiging bevindt zich in het Cartularium van Egmond (uit ca. 1420)2. De melding heeft betrekking op een gift van graaf Dirk I van Holland en zijn echtgenote Gera aan het door hem gestichte nonnenklooster te Egmond, namelijk 'twee hoeven in de plaats Alkmaar geheten, die jaarlijks twee pond opbrengen'6. Dit bewijst dat de naam Alkmaar, destijds een 'buurtje' of gehucht, eerder bestond dan de monniken-abdij van Egmond, die pas omstreeks het jaar 950, na opheffing van het nonnenklooster, door Dirk II werd gesticht5 (Lit. 160, A. Beekman).

Een van de pagina's uit het Evangeliarum van Egmond, die graaf Dirk II heeft laten toevoegen (fol. 214 v). Dirk II en zijn gemalin Hildegard presenteren op deze tekening het Evangeliarum aan de St. Adelbert Abdij van Egmond
Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

Hetzelfde document maakt nog melding van een andere schenking aan het nonnenklooster, namelijk de opbrengst van de tol van Alkmaar. Niet louter van passerende personen, maar eveneens van paarden en schepen 7. Deze schenking wordt wederom bevestigd in het Cartularium: 'de gehele opbrengst van de tol van Alkmaar' 8. In een later stuk wordt de opbrengst ten behoeve van de abdij kleiner: 'Van de Alkmaarse belasting krijgt de abdij acht ponden, van de tol zes ponden, van de mest twee ponden, daarboven op zes ponden verminderd met een ons'9 (Lit. 160, A. Beekman).
Het gegeven dat er tol en belasting werd geheven, geeft onmiskenbaar aan dat Alkmaar reeds in de 10e eeuw een belangrijke plaats was en dat er geregeld markt moet zijn gehouden. Dat de Hollandse grafelijkheid directe belangen in Alkmaar had blijkt uit het archief van Egmond, betreffende een ruil van enige hoeven elders tegen een rente van 8 pond (Lit. 9, E.H.P. Cordfunke, p.155).

Eeuwenlang heeft de abdij voordeel gehad van het heffen van de tol. In ca. 1150 was er sprake van een maat van de tol, die 'hoed' werd genoemd, waarin de inkomsten van de abdij werd opgegeven10. De abt Wiboldus besloot in 1174 om een deel van de tol te besteden aan maaltijden voor de monniken, alsmede versnaperingen tijdens de feestdagen 11. In 1215 was er een geschil waarin graaf Willem I besliste over een derde van inkomsten, die Willem, de zoon van Wouter van Egmond (van het slot Egmond aan de Hoef), wederrechtelijk had geïnd 12 (Lit. 160, A. Beekman).

Jurisdictie

Daarnaast had de abdij al vroege de jurisdictie over het grondgebied van Alkmaar. Melis Stoke citeert in dit verband uit de Cronicum Egmondanum van broeder Johannis de Leidis, over Dirk V (1076-1091), die Abt Steven van Egmond privileges en het schoutambacht van Alkmaar schonk (M. Stoke, ca. 1300):

Diese didric gaf inder stonde
Den abt steuen van egmonde
Hantvesten ende veste al die gauen
Die sine oude vorders gauen
Ende mersde hem haer recht
Jn landen in herscepien echt
Entaer toe so makede hi
Des goeds huis man al tolne vri
Oec gaf hi hem openbare
Tscoutheetdoem van alkemare

De kerk van Alkmaar

Een ander, doch dit keer originele, vermelding van de naam Alkmaar is gevonden in een aantekening in het sacramentarium van de abdij van Echternach3 uit het jaar 1063 15. Het is een korte notitie van het kerkenbezit van dit klooster in Holland, waaronder Heileginlo (mater) [Heiloo (moederkerk)] Al(c)mere [Alkmaar] Misna [Mijzen, (kapel van Mijzen)18] Skirmere [Schermer].
Deze kerken waren afkomstig van de erfenis van St. Willibrord (ca. 658-739), die later door graaf Dirk II wederrechtelijk in bezit waren genomen. In 1156 zijn deze kerken uiteindelijk overgegaan naar de grafelijkheid. De kerk van Alkmaar in deze, was blijkbaar een dochterkerk van de kapel te Heiloo, die destijds door St. Willibrord was gesticht (Lit. 9, E.H.P. Cordfunke, p.154). Cordfunke gaat er vanuit dat deze kerk in 1063 nog niet gewijd was, van waaruit een geringe ouderdom van de kapel in Alkmaar volgt. Dit wijst eveneens op een snelle groei van Alkmaar in het begin van de 11e eeuw, die zich tot in de 12e eeuw voortzette. De wijding zou dan na 1063 en vóór 1116 hebben plaatsgevonden, toen hij aan Laurentius4 was gewijd 16. Daarna ondervond de kerk veel tegenslag, met name vanwege plunderingen en vernielingen door de West-Friezen. In 1132 werd de kerk in brand gestoken, in 1166 ging de Alkmaar in vlammen op, terwijl de kerk werd gespaard. De West-Friezen staken daarvoor een doorwaadbare plaats in de Rekere over 13, hetgeen nog eens in 1169 herhaald.

Een deel van een pagina uit het sacramentarium van Echternach, waarop de oudste originel vermelding van Alkmaar is te zien.
Bibliothéque Nationale, Parijs

Een versterkt bestuurscentrum

Cordfunke meldt dat Alkmaar reeds vroeg een omwalling gehad zou moeten hebben, daar de marktplaats in 1166 met de term 'oppidulum' werd aangeduid, hetgeen zoiets betekent als 'kleine hoofdplaats' 14 (Lit. 9, E.H.P. Cordfunke, p.159). Dit gegeven wijst erop dat de marktplaats een versterkt karakter gehad heeft moeten hebben.

Naast de omwalling van Alkmaar, ligt het voor de hand, dat wanneer men het economische belang, de jurisdictie van de abdij, alsmede het directe belang van de grafelijkheid in ogenschouw neemt, de noodzaak bestond voor de aanwezigheid van een versterkt bestuurscentrum.

Het bewijs hiervoor werd aan het einde van de 20e eeuw geleverd door de archeologie. In 1970 heeft men in verband met een uitbreiding van 't Hooge Huys (St. Laurensstraat 1-3) onderzoek verricht op de plaats van het pand Gedempte Nieuwesloot 149 en op het terrein van het voormalige Gewestelijk Arbeidsbureau aan de Gedempte Nieuwesloot in 1972. In beide gevallen zijn er sporen van 10e-12e eeuwse bewoning aangetroffen.
Van bijzonder belang bleek een drie meter brede sloot te zijn, die veel breder is geweest en aanvankelijk west-oost georienteerd was en daarna een scherpe rechthoekig verloop kreeg. De datering van de slootvulling is gedateerd op de 12e eeuw (Lit. 9, E.H.P. Cordfunke, p.69-81). Een vervolgonderzoek vond plaats in 1995 op de hoek Gedempte Nieuwesloot/St. Laurensstraat (nr. 161-167). Eveneens werd hier het 11e-12e eeuwse terrein doorgraven door een 7-8 meter brede en 2 meter diepe sloot, die ongeveer ter hoogte van de huidige Schoolstraat afboog naar het zuiden in de richting van de grote kerk.
Al met al bleek het hier om een stelsel van grachten te gaan, en gezien de breedte en de omvang van deze grachten, moet hier sprake zijn geweest van een versterkt huis of burcht, dat naast de kerk was gesitueerd. Het betreft hier feitelijk twee omgrachtingen, zowel die het 'huis' omringde, als de gracht die rondom de kerk liep. De Alkmaarse stadsarcheoloog Peter Bitter meldt in een kort artikel over Alkmaar 'Van villa tot forum', dat vergelijkbare hoven in combinatie met kerken uit andere grafelijke hoofdplaatsen bekend zijn, zoals Haarlem, Leiden en Delft (Bitter, ca. 2011).
Bitter reconstrueerde dit grachtenstelsel op de plattegrondkaart van de binnenstad van Alkmaar. Eveneens werd op zijn aanwijzingen door M. Valkhoff een aquarel vervaardigd, die de grachten in het beeld van Alkmaar van rond 1200 plaatst.

Reconstructie van de ligging van het grachtenstelsel rond het versterkte huis en de Laurenskerk. Buiten de stad is de hypothetische voorloper van de Torenburg getekend. Links een projectie van het grachtenstelsel en huis op de stadsplattegrond door P. Bitter (2007)(bijschriften zijn van de auteur) en rechts een reconstructie in een fragment van een aquarel van M. Valkhoff (1997)

Willem II

Het toenemende belang van de grafelijkheid van Alkmaar werd prominenter nadat Roomskoning Willem II, de vader van Floris V, een deel van het gezag onttrok aan die van de Egmondse abdij. Dit gebeurde op 5 november 1248. Op 11 juni 1254 werd door hem aan Alkmaar stadsrechten verleend, waarmee de centrale economische rol van Alkmaar werd bevestigd, maar eveneens lag het in de bedoeling om Alkmaar als uitvalsbasis tegen de West-Friezen te gebruiken. Het kasteel de Torenburg moest hier een belangrijke rol gaan spelen. Dit liep helaas slecht voor Willem II af, want in januari 1256 sneuvelde hij bij Hoogwoud, nadat hij met paard en al door het ijs zakte en door West-Friese opstandelingen van het leven werd beroofd. (Zie ook het artikel over Floris V en zijn strijd tegen de West-Friezen: Rebellie, bloed en bakstenen).

De uitvaardiging van Willem II uit 1248 inzake de opdeling van grondgebied van Alkmaar.
Nationaal Archief: archief abdij van Egmond, inv.nr. 437

Naar de Torenburg in de 13e eeuw →

Voetnoten:
1. Het Evangeliarium van Egmond, circa 900. Collectie Kon. Bibliotheek Den Haag
2. Cartularium (letterlijk oorkondeboek): register of handschrift, waarin charters of oorkonden (cartae) werden overgeschreven die een bepaalde instelling (kerk, abdij of stad) ontvangen had. De bedoeling bij een cartularium was meestal de originele stukken te beveiligen en de raadpleging van de inhoud te vergemakkelijken. De naam cartularium wordt ook gebruikt voor moderne uitgaven van middeleeuwse charters.
Zie ook: Noord-Hollands Archief: Archief van de abdij van Egmond (volgnr. 356)
3. Abdij van Echternach: (Luxemburg bij Trier, deze abdij is gelieerd aan Willibrord). Tussen 704 en 706 schonk Willibrord zijn eigendomsrechten aan Pippijn II. Daarmee werd het klooster Echternach een eigenklooster van de Karolingers. (Bron: Bert Koene, Fred Schweitzer, Jan Morren; Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, het land, de bewoners en hun heren tussen 700 en 1300; p. 58 (Lit. 189))
4. De huidige Grote Kerk of St. Laurenskerk van Alkmaar is van de 15e eeuw.
5. Over de kerk/klooster van Egmond bestaat nog wat onzekerheid. Het is niet altijd even duidelijk of de oude vermeldingen nu de Aldelbertuskapel of de Abdij kerken betreft. Zo schrijft Numan dat Karel III in 922 een klein houten klooster schenkt aan graaf Dirk I. In het afschrift uit het oorkondeboek van van de Bergh leest men (slechts) ecclesiam videlecit Ekmunde. Wellicht doet Numan een concessie op basis van de vermelding van nonnen en archeologie (ecclesiam = klein houten klooster).
L.Ph.C. van den Bergh; Oorkondenboek van Holland en Zeeland, deel I; 1866; Muller, Amsterdam, Martinus-Nijhof, Den Haag; p. 20, nr. 26 (Lit. 164)
6. O.Oppermann; Fontes Egmundenses; Kemink, Utrecht; 1933 (Lit. 161)
hieruit de volgende citaten in dit artikel, die door bovenstaande auteurs Cordfunke en Beekman zijn aangewend:
p.62 "..duas mansas in villa Allecmere vocitata.."
Zie ook:
L.Ph.C. van den Bergh; Oorkondenboek van Holland en Zeeland, deel I; p. 19, nr. 25
7. p. 64
8. p. 69 "In Alcmere omne theloneum"
9. p. 74 "In Alcmere de censu octo libras et de tholoneo sex libras, de scruto duas libras, insuper sex libras unam unciam minus"
10. p.75 "per Alcmerensem modium"
11. p. 238 "ad caritatem"
12. p. 247
13. p. 173 "qui Occenvorth dicitur"
14. p. 173 "oppidulum"
15. F. van Mieris; Groot Charterboek der Graven van Holland, van Zeeland en Heeren van Vriesland, deel I; Leiden; 1753; p. 65 (Lit. 165)
17. A.C.F. Koch; Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299; 1970; Den Haag; nr. 99 (Lit. 93)
18. Met dank voor de mededeling van de Willem van den Berg te Utrecht, ontwikkelaar Historisch Kadaster Alkmaar, d.d. 12-09-2012.

Geraadpleegde bronnen en literatuur:
(Lit. 9, E.H.P. Cordfunke)
(Lit. 160, A. Beekman)

Www:
M. Stoke; Rijmkroniek van Holland: Handschrift A; folio 9v; ca. 1300; vers 1353-1362. Zie de website: www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/Rijmkroniek.
P. Bitter; Van villa tot forum, 900-1200 het begin van Alkmaar; bezocht in 2011; regiocanons.nl: Canon van Alkmaar.
Redactioneel; Archeologische opgravingenkaart; bezocht in 2011; website Gemeente Alkmaar.
Dick Mantel; Mijzenpolder en Schermereiland (Eilandspolder)

[Naar boven]         [Volgende] [Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]