Middeleeuwse dwangburchten van West-Friesland en Alkmaar
[Home][Kaart][Introductie][English ][Burchten/kastelen chronologie][Overige objecten][Artikelen][Pre-Hollandse periode][Gegevens- en bronnen]

[Terug naar inhoud chronologie]      [Home]

Rampspoed in de 16e eeuw

Grote Pier

Het begin van de Tachtigjarige Oorlog en de laatste slotvoogd

(Revisie 12 juni 2020)
← Het huis te Medemblik in de 15de eeuw
Het huis te Medemblik in de 17de eeuw →

De kasteleins (slotvoogden) van het kasteel en gezagsdragers van de stad Medemblik:


Het grafelijk domein

Ondertussen zijn er meer inzichten gekomen over welk gebied de kasteleins van het kasteel van Medemblik zeggenschap hadden. Dit was niet louter het geval van het kasteel zelf, maar een behoorlijk complex, waarvan kan worden gezegd dat ze tot het grafelijk domein behoorden. De onderdelen zijn grofweg in te delen als:

  1. De hoofdburcht
  2. Het bolwerk, feitelijk een voorburcht in de vorm van een omwalling met gracht. Hierop bevonden zich diverse bouwsels, zoals twee 'bouwhuizen' (boerderijen) en stallen
  3. De hofweide, uitgebreid land voor argrarische aktiviteit. Deze werd begrensd door sloten en een wal.
  4. Buitendijks land. Deze was reeds in de 14de eeuw buitengedijkt, maar werd nog steeds nuttig gebruikt.

De wal van de Hofweide werd in 1573 opgehoogd om als onderdeel van de eerste stadsomwalling te dienen. Om het uitgebreide verslag over dit onderwerp te lezen, verwijs ik naar de volgende link op deze website, een publicatie van auteur in pdf-formaat (2020): An den slote tot Medebliec (3). Over de omgevingscontext van het kasteel.(Lit.217)

Theoretische plattegrond 15de eeuw. Theoretische plattegrond 16de eeuw. Plattegrond over het huidige kadastrale grondplan.

Het dijkgraafschap van Medemblik

De hertog Albrecht van Saksen (1443-1500), was militair dienstbaar aan Maximiliaan van Habsburg (1482-1494), die op zijn beurt het regentschap over zijn minderjarige zoon Filips de Schone in het Bourgondische Holland had. Maximiliaan gaf Albrecht als beloning voor zijn hulp, de heerschappij over Friesland aan de overkant van de Zuiderzee, alwaar hij strijd tegen opstandige Friezen leverde.

Het dijkbeheer was onder Maximiliaan sterk verwaarloosd in een periode van veel repressie, waaronder de maatregelen tegen het Kaas-en Brood-volk (1491-1492). Naar aanleiding van een dijkdoorbraak op 16 oktober 1502 verzochten de ingelanden van oostelijk West-Friesland (Vier Noorderkoggen en Drechterland) Filips de Schone om een betere regeling, waarbij een een eigen dijkgraaf en heemraden werden ingesteld. Op 14 februari 1503(1502, paasrekening) Dirick van Almonde tot dijkgraaf aangesteld. Vanaf 1507 werd Margaretha van Oostenrijk, dochter van Maximiliaan aangesteld tot landvoogdes van de Nederlanden. In 1508 was een zekere Thiman van Waveren op het idee gekomen dat hij beter de functie van dijkgraaf kon bekleden, omdat van Almonde niet aan de vereiste voorwaarden voldeed voor wat betreft zijn residentie buiten zijn werkgebied, namelijk zijn woonplaats Haarlem, waar hij in 1507 schout was geworden.
Dit leidde tot het afzetten van Dirick van Almonde, waarna Thiman zijn plaats innam.
Hiermee nam van Almonde geen genoegen, hetgeen tot een juridisch gevecht voor de Grote Raad leidde. De uitspraak was op 28 september 1509 met een dubbele uitspraak dat van Waveren's klacht gegrond werd verklaard en dat van Almonde in zijn functie, tijdelijk werd herbenoemd. Dirick werd daarbij verplicht om in Medemblik residentie te houden. (Lit. 178).

Op 6 mei 1511 werd Rychaert Matthijsz. tot dijkgraaf gekozen, uit voordracht van drie personen. (Lit. 174)

In 1515 verkreeg Joost van Buren de functie van kastelein en dijkgraaf van Medemblik, in erfpacht tot 1518. (Lit. 174)

Karel V herroept in 1518 echter de erfpacht van het dijkgraafschap, dat aan Joost van Buren was verleend, 'wegens slechte begeving'. Benoeming vindt vanaf dat moment rechtstreeks plaats. (Lit. 174)

Grote Pier

De eerder genoemde militaire acties tegen de Friezen ging na 1500 door, onder leiding van Albrechts zoon Georg van Saksen (1471-1539), die destijds het gezag over Friesland had. Daarbij kreeg hij ondersteuning van de loyale Franekers. Volgens J.W. Groesbeek (Lit. 5), is het beschreven dat de bevelhebber van Appingendam, Otto van Diepholt en zijn hopman Cornelis Tunk in 1514 in het kasteel van Medemblik gevangen werden gezet. Mogelijk leidde een welgevulde buidel tot Otto's vrijlating.
Karel van Gelre had eveneens belangstelling voor het Friese gebied, en deed in november 1514 een inval in Stavoren. Dit leidde tot een oorlog die uiteindelijk negen jaar zou duren.
Na verzwakking van zijn positie vanwege de overmacht van het Gelderse leger, deed Georg zijn landbezit over aan Karel V. Hierdoor ging de Friese strijd uiteindelijk tegen het graafschap Holland.
De opstandelingen, onder leiding van Grote Pier (ca. 1480-1520) (Pier Gerlofs Donia); boer uit Kimswerd, hadden ondertussen een monsterverbond met de hertog van Gelre gesloten. De moorddadige acties van Saksische huurlingen, leidden uiteindelijk tot de wraakactie van Grote Pier in 1517, nadat zijn piratenleger 'De Arumer Zwarte Hoop' samen met de Gelderse troepen richting Holland trokken.
(Zie ook de website 'De kanon fan de Fryske Skiednis': Grutte Pier)

Grote Pier, Friese legeraanvoerder van de Gelderse troepen
Fantasietekening van Grote Pier, Friese legeraanvoerder van de Gelderse troepen.
(Leeuwarden, Fries Museum)
Van Grote Pier wordt gezegd dat hij zich allerlei titels toebedeelde: koning van Friesland, hertog van Sneek, graaf van Sloten, vrijheer van Hindelopen en kapitein-generaal van de Zuiderzee. Hij had tijdens de oorlog tegen de Saksische overheerser een enorme haat opgebouwd, dat zich uiteindelijk tegen Hollands richtte. Het is mogelijk dat hij het vooral op Medemblik had voorzien, omdat naast de Franekers, ook Saksische huurlingen uit Medemblik verschrikkelijk te keer waren gegaan.
Op 24 juni 1517, op Johannes de Doperdag, voerde hij met 'De Arumer Zwarte Hoop', een leger van 4000 man aan Gelderse soldaten en Friese piraten, naar West-Friesland, voorbij Enkhuizen, om in de buurt van Wervershoof aan land te gaan. In een mum van tijd werd Medemblik overrompeld. Velen werden bij deze overval gedood en enkele gevangenen werden later tegen een hoge losprijs vrijgelaten.
Een gedeelte van de inwoners van de stad vluchtten naar het kasteel, waar zij een veilig onderkomen vonden. De slotvoogd Joost van Buren wist de overvallers buiten de poort en de muren van het kasteel te houden.
Omdat het ze niet lukte om het kasteel in te nemen, begon de bende de stad te plunderen, waarna zij de stad in brand staken. Daar de meeste huizen van hout waren, brandde de stad als een fakkel. Kerk, kloosters en raadhuis gingen hierbij verloren, inclusief het stadsarchief.
Nadat het niet lukte om het slot in te nemen trok Grote Pier en zijn bende al plunderend verder in de richting van Alkmaar, alwaar de burchten de Nieuwburg en Middelburg het moesten ontgelden.

Voor meer informatie, verwijs ik naar de twee artikelen op deze website: Grote Pier en de Arumer Zwarte Hoop in 1517. Een verslag uit Hollandse en Friese historische bronnen en Grote Pier. Een historisch relaas over een Fries krijgsheer


Karel V herroept in 1518 de erfpacht van het dijkgraafschap, aan Joost van Buren verleend, 'wegens slechte begeving'. Benoeming vindt vanaf dat moment rechtstreeks plaats. (Lit. 174)

Gelden voor het opbouw van de kerk in Medemblik

Uit de volgende documenten blijkt dat men vanuit verschillende instanties toestemming werd verkregen om geld in te zamelen om de kerk van Medemblik te herbouwen, die tijdens de aanval van Grote Pier is verwoest (ontleend aan Lit. 176):

1520 (Febr. 7). Philippus van Bourgondië, bisschop van Utrecht, geeft aan de rectoren der afgebrande kerk te Medemblik verlof aalmoezen te verzamelen in Holland, Waterland en Zeeland. Wanneer echter de questierders van den Dom met hun werk bezig zijn, is het aan die van Medemblik verboden. De bisschop geeft 40 dagen aflaat aan allen, die bijdragen schenken. (Origineel charter: Archief van de Dom, nr. 2394, tegenwordig: Utrechts Archief; toegangsnummer 216, Domkapittel Utrecht, inventarisnr. 496-1)

1520 (Juni 15). Keizer Karel V vergunt den kerkmeesters van de St. Maartenskerk te Medemblik, giften in te zamelen tot wederopbouw van deze kerk, welke in den oorlog met de Gelderschen en Friezen verbrand was. (Origineel charter: Archief van de Dom, nr. 2402, tegenwoordig: Utrechts Archief; toegangsnummer 216, Domkapittel Utrecht, inventarisnr. 496-2):

Kaerle, bij der gracie Gods, gekozen Roomschconinck, toecomende keyser, etc ... . saluyt ende dilectie. Wij hebben ontfaen die oitmoedige supplicatie van den kerckmeesters van der armer verbrander kercken van onser stede van Medemblick in onsen lande van Hollant, inhoudende hoe dat omtrent drie jaeren geleden, doen onse voirsz. stede van Medemblick van den Gheldersschen ende Vriesen onsen vianden verbrant ende overloopen was, dieselve kercke die gefondeert is ter eeren van sinte Martin oick geheelyck ende al verbrant ende gedestrueert is geweest alsoe, dat aldaer die glasen veynsteren, kelcken noch ornamenten en zijn gebleven ende de clocken gesmolten ende bedorven, mits denwelcken den goidsdienst aldair achtergelaten werdt te doen, ende hoewel zij supplianten oic sindert ende alnoch groote begheerte hebben, om de voirsz. kercke wederom op te maken om den godsdienst dairinne dagelicx te doene soe men te voeren plach, nyetmin en is hen tselve nyet mogelick, te doene, sonder te hebben de aelmoessen, hulpe, bystant, ende caritate van den goeden kerstenen lieden onsen ondersaten. Oick en souden zij dat nyet willen noch dorren doen, mits den verboden van onsen wegen gedaen aengaende den loop van den questen, sonder te hebben onsen oirlof ende consent in desen, dus omme deselve zeer oitmoedelick biddende. Soe eyst, dat wij de saken voirscreven overgemerct, begheerende de restauratie van der voirsz. kercken ende donderhoudt van den godsdienste ten eynde dat wij deelachtich mogen werden der gebeden ende duechdelyke wercken die in derselver kercken gedaen sullen werden, denselven supplianten genegen wesende tot huerer bede ende supplicatien, hebben geoctroyert, geconsenteert ende geaccordeert, octroyeren, consenteren ende accorderen, hen gevende oirlof vuyt zonderlinge gratien ende by desen onsen tegenwoirdigen brieve, dat nyettegenstaende den offensen ende verboden voirscreven zij, oft huere procureurs, facteurs, oft boden ende een yegelyck van hen van nu voirtan duerende den tyt ende termijn van seven jaire naistcomende te rekenen van op huden date van desen onsen brieve, sullen mogen gaen ende converseren over al onsen landen ende heerlicheden, om te doen huere queste ende te vermanen den goeden luyden te doene huere aelmoessen, bystant ende caritate. Exhorteren, bidden ende versoucken daeromme an u ende een yegelycke van u, dat ghij hueren procureurs, facteurs oft boden, als zij by u kommen ende addresseren sullen te desen fyne ende bringende desen tegenwoirdigen brief, vidimus oft copie auctentyck dairaf, hen deelen wilt uwe aelmoessen, ende doen uwe caritate van den goeden die u God heeft gegeven ende verleent, een yegelyck van u naer zijn devotie ende faculteyt, doende commutacie ende veranderinge van uwen weerlycken ende verganckeliken goeden in een tresoir des eeuwichs goets in der onverganckelyker glorien. Ende bevelen ende lasten u onsen officiers ende ondersaten, dat ghij den procureurs, facteurs ende boden van den voirsz, supplianten, dewelcke wy mitgaders hueren goede, gout, silver, ende allen anderen dingen genomen ende gestelt hebben, nemen ende stellen bij desen in onsen protectien, beschermenissen ende sauvegarde hen ende een yegelyck van hen, doet ende laet paisivelick gaen, commen ende blyven in allen onsen voirsz. landen, aldair sy sullen hebben te besoingneren, om te doen huere queste den voirsz. tijt geduerende, ende doet hen alle soetichede, faveur ende gonst u doenlick wesende. Dese teghewoirdige brieven naer djair gheexpireert zynde nyet meer doghende. Ghegeven in onser stadt van Bruessel den vyftiensten dach van Junii int jair ons Heeren duysent vyfhondert ende twintich ende van onsen rycken te weten van den Romsschen teerste ende van Castillen etc. tvijfste.

Bij den Conynck in synen raede.

(Transcriptie door Keldermans, oorspronkelijk manuscript (21x57 cm) bevatte 21 regels)

1521 (Febr. 7). Bisschop Philippus van Bourgondië geeft aan de questierders der afgebrande kerk te Medeniblik verlof aalmoezen in te zamelen in Holland, Braband, Zeeland, Vlaanderen, Friesland, Gelderland en in de geheele diocese 't.Sticht. (Origineel charter: Archief van de Dom, nr. 2408, tegenwoordig: Utrechts Archief; toegangsnummer 216, Domkapittel Utrecht, inventarisnr. 496-3)

1521 (Mei 29). Burgemeesters, kerkmeesters, schepenen en raden van Medemblik machtigen Alexander Clerck om als commissarius van de verbrande kerk aalmoezen te vragen in alle landen van de Kon. Majest. en in het Sticht. (Origineel charter: Archief van de Dom, nr. 2410, tegenwoordig: Utrechts Archief; toegangsnummer 216, Domkapittel Utrecht, inventarisnr. 496-4)

Inventarys 1554

In het Noord-Hollands Archief ligt een document uit 1554, dat feitelijk een inventarisbeschrijving van het kasteel van Medemblik is, dat tijdens de kasteleinschap van Cornelis van Rijswijk is opgesteld. Dit document is getiteld 'Medemblyck geinventarieert in Julio LIIII'.
Dit geweldige manuscript, dat op de vooravond van de tachtigjarige oorlog (1568-1548) is geschreven, korten we voor het gemak af tot 'Inventarys'. Dit document is feitelijk een kopie-afschrift met veel interessante informatie met betrekking tot de geschiedenis van het kasteel. Naast een inventaris van meubilair, wapens en munitie, lezen we eveneens de naamgeving en functionaliteit van de diverse ruimten en torens van het kasteel. Over de dit document is een aparte pagina op deze website opgenomen.

Stadsbrand 1555

In 1555 had Medemblik wederom te lijden door een enorme stadsbrand.

Een gedeelte van de inwoners van de stad vluchtten naar het kasteel. De slotvoogd wist de overvallers buiten de poort en de muren van het kasteel te houden.
(Tekening: Jantine Leeflang, 2000)
In de middeleeuwen, en ook daarna, waren de meeste huizen in Noord-Holland grotendeels van hout. De slappe veenbodem was niet geschikt voor zwaardere steenbouw. Deze anonieme afbeelding toont de grote brand in De Rijp van 1654. Het geeft een idee in welke mate de brand in Medemblik, in 1517, woedde.
(De Rijp, Museum In 't Houten Huis)

In 1556 ontheft Filips II de stad Medemblik 2/3 van het aandeel in de beden gedurende een periode van 10 jaar. Dit vanwege de kosten van herstel van de afgebrande kerk. (Lit. 92)

Tachtigjarige oorlog

Tijdens Vastenavond in 1568 komt Cornelis van Rijswijk, 'Casteleyn' van Medemblik in commissie van Alva te Hoorn om ketters te vangen, doch vindt de vogels gevlogen (Lit. 102).

De sterkte van het slot van Medemblik werd in 1572 weer op de proef gesteld, doordat twee compagnieën geuzen en twee compagnieën prinsgezinde troepen uit Enkhuizen, onder leiding van Nicolaas Ruychaver en Jacob Cabeliau, zonder veel moeite de stad veroverden. Vervolgens trokken ze op naar het kasteel. De kastelein, Cornelis van Rijswijk, was trouw gebleven aan Filips II en dacht de aanval wel met de schutters uit de stad te kunnen weerstaan.
Als antwoord hierop dreven de geuzen vrouwen en kinderen als een levend schild voor de aanvallende troepen uit, en met succes. Doordat de belegerden in het kasteel niets konden uitrichten om dat hun familie de voorhoede vormde van de troepen, viel het kasteel zonder slag of stoot. De slotvoogd werd daarna ervan overtuigd dat het beter zou zijn om de zijde van Oranje te kiezen.

Anonieme tekening van de stad Medemblik tijdens de belegering van Maurits
Anonieme tekening, ca. 1600), uitsnede: 'Beleghering der stadt Medenblick----Anno 1588'. De stad Medemblik tijdens de belegering van Maurits. Op de kaart is de gehele omsingelde stad te zien.
(Amsterdam, Rijksmuseum, obj. nr.: RP-T-00-3602).
)
Nadat Cornelis van Rijswijk in 1586 gestorven was, werd hij tijdelijk opgevolgd door zijn zoon Hartog van Rijswijk, en snel in hetzelfde jaar opgevolgd door de gouverneur van het Noorderkwartier Diederik van Sonoy: een calvinistische medestander van de graaf van Leicester ('interim'-opvolger van Willem van Oranje), aan wie hij de eed van trouw aflegde. Nadat de graaf van Leicester, zonder zijn bestuurlijke bevoegdheden af te staan, in 1587 naar Engeland terugkeerde weigerde Sonoy de eed van trouw aan stadhouder Maurits af te leggen.

Sonoy werd naar Overijssel gestuurd, waarna men onder Johan van Oldebarnevelt het kasteel probeerde in te nemen. Hetgeen mislukte. Bij terugkeer van de graaf van Leicester in hetzelfde jaar, werd hij groots in Medemblik onthaald. In hetzelfde jaar nog, werd de graaf opnieuw naar Engeland teruggeroepen, terwijl Sonoy hem trouw bleef. De Raad van State probeerde door middel van een bemiddelingspoging Sonoy op andere gedachten te brengen. Dit mocht niet baten. Reden genoeg voor Maurits om op 27 februari 1588 de stad Medemblik en het kasteel te belegeren. Dit beleg duurde zeven weken, waarna Sonoy op 29 april 1588 tot overgave werde gedwongen.

Toen gebeurde het onvermijdelijke; de graaf van Leicester deed afstand van zijn landvoogdschap in de Nederlanden, zodat Sonoy ontslagen werd van zijn eed. Omdat men vond dat Sonoy niet onrechtmatig had gehandeld, mocht Diederik van Sonoy slotvoogd blijven.

Toch waren de Medemblikkers kwaad, ze zagen de capitulatie voor prins Maurits als een nederlaag. Sonoy werd vaak bedreigd en zelfs gemolesteerd, zodat hij genoodzaakt was om aan Maurits bescherming te vragen. In 1588 werd Diederik van zijn functies ontheven (Lit. 209, 3 en 14 juli). Zijn opvolger was jr. Willem van Dorp. In 1593 kreeg hij eervol ontslag uit staatsdienst met een pensioen van 1000 gulden per jaar. Hij trok zich terug op een kasteel in Groningen, waar hij in 1597 stierf....

Het kasteleinschap werd weer onder beperkingen weer toegekend aan jr. Hartog van Rijswijk (Lit. 209, 14 september 1600). Deze vertrok in 1606, nadat de slotvoogdij werd opgeheven en het kasteel aan de stad Medemblik werd overgedragen (zie aldaar).

Het kasteel in Medemblik, nog in volle omvang. Fragment van de kaart rechtsboven.Het kasteel te Medemblik. Fragment van een kaart van Paulus Utenwael 1599
Fragment van de kaart hierboven. Waarschijnlijk de enige bewaarde afbeelding, waarop het kasteel van Medemblik in volle omvang is te zien (de tekenaar toont de situatie van 1588). Opvallend is de hoge toren met spits, de forse hoofdpoort en de lage weermuur aan de noordzijde van het kasteel.
(Amsterdam, Rijksmuseum, obj. nr.: RP-T-00-3602).
Het kasteel te Medemblik. Fragment van een kaart van Paulus Utenwael 1599. Het toont de situatie na de ontmanteling. De noordelijke twee torens en de weermuur (op de bovenstaande prominent aanwezig) zijn in 1592 afgebroken.
(Hoorn, West-Fries Museum)

Diverse kanonskogel, de meesten van steen, die tijdens baggerwerkzaamheden uit de slotgracht van het kasteel van Medemblik is opgevist en aan de dijk bij het slot zijn gevonden. De kleine kogels zijn musketkogels. Het is aannemelijk dat deze collectie een erfenis is van de slag in 1588.
(Foto links: Bernd Ooijevaar)(Foto rechts: Ben Dijkhuis in het stadsmuseum in Medemblik)

Spaanse gevangenen

In 1588 werd de grote Spaanse oorlogsvloot ('Armada') tijdens de slag bij Grevelingen bij het Nauw van Calais vernietigd. Een aantal schepen, waaronder galeien strandden in de Nederlanden. Hierdoor werd een groot aantal krijgsgevangenen gemaakt. Deze gevangenen werden verspreid over Holland gevangen gezet. In Den Haag (Gevangenpoort), Rottedam, Amsterdam en in het Noorderkwartie in Medemblik, Enkhuizen, Hoorn en Purmerend. Twee gevangenen werden in het kasteel van Medemblik gedetineerd. Dat waren de gezagsvoerders van de galei San Matteo, Don Diego de Piementel en Don Juan Ximenes Meduano. Beiden werden in de Gevangenistoren, de zuidoostelijke hoge toren, gevangen gehouden. Ondanks zijn gevangenschap timmerde Don Diego behoorlijk aan de weg als het ging om het krijgsrecht van de medegevangenen in de Nederlanden. Voor meer informatie verwijs ik naar een meer uitgebreide artikel: Spaanse krijgsgevangenen op kasteel van Medemblik.

Ontmanteling

Omdat men al 1573 overging tot het verbeteren en verhogen van de stadswallen, verloor het kasteel zijn functie als verdedigingswerk. Op 5 december 1578 werd door de Staten van Holland en Westvriesland het besluit genomen om het kasteel te ontmantelen. De werkelijke sloop vond echter pas in 1591 plaats. Hiervoor werden de noordelijke muren en torens gesloopt. 2

In 1598 werden omvangrijke herstelwerkzaamheden verricht onder leiding van Gelle Adriaens Wijnes, dijkgraaf van de Vier Noorder Koggen. Hij gaf 122 pond, 1 schelling en 9 penningen uit aan de herstellingen in de functie van 'fabrieksmeester van des grafelijkheids huis te Medemblik'. (Lit. 5)

In ieder geval ging de sloop van de noordelijke muren en torens (de zijde van het slot, die naar de stad was toegekeerd) gepaard met veel baldadigheid en verwaarlozing, waarbij zowel Sonoy als van Rijswijk verantwoordelijk werden gesteld. In een verzoekschrift, waarop de Staten van Holland in 1608 met een beschikking kwam om het kasteel over te dragen aan de stad Medemblik, beklaagden de burgemeesters zich over de sloop en de gevolgen van de leegstand na 1606 (Lit. 92)(Lit. 211):

"...tumultuoselijck te samen lopende eenige toorens ende middelmuyren van [het kasteel] responderende opte stadt, omver te halen, zoodat het slot sedert niet anders was, dan een open huizinge sonder enige sterkte.."

"..dat het gebouw bijna twee jaren lang leeg en onbewoond staat. Dat in dien tijd, zoo door onweder als bij geboufte, groote schade daer aen gedaen is, in glasen vensters, deuren, aen den dack ende andersints, ende meerder een oude ruyne dan een bequame woninge gelijck is, jae geschapen geheellijcken ter vervallen. Immers sal sonder groote costen nyet weder bequaem gemaect connen werden, omme eerlijck te bewonen, nyet tegenstaande binnen drie jaren omtrent acht hondert guldens, op eene tijt teffens, daer aen te costen geleyt sijn geweest. Ende consideren
[burgemeesters] indient vergaet, dattet jammer soude sijn alsoo t'een antiquiteyt ofte oudt huys is.."

← Het huis te Medemblik in de 15de eeuw
Het huis te Medemblik in de 17de eeuw →

Geraadpleegde bronnen en literatuur:
(Lit. 5, J.W. Groesbeek, p. 300-302)
(Lit. 20, S.B.J. Zilverberg, p. 39-43)
(Lit. 33b, H. Schoorl, p. 39-44)
(Lit. 47, G. Ros-de Korte, p. 18-21)
(Lit. 92, C.J. Gonnet, p. 10, 57/nr. 367)
(Lit. 102, Th. Velius, p. 145)
(Lit. 135b, J. Kok, p. 253)
(Lit. 174, G. de Vries Az, p. 30, 63)
(Lit. 176, A. Eekhof, Bijlagen: C-CIII)
(Lit. 178, R. van Answaarden, p. 144-162)
(Lit. 209, Resolutien van de Heeren van de Ridderschap, Edelen en Gedeputeerden van de Steeden van Holland en Westvriesland. 1588: 3, 14 juli en 1600: 14 sept
(Lit. 211, Resolutien van de Heeren van de Ridderschap, Edelen en Gedeputeerden van de Steeden van Holland en Westvriesland (1607-1609). 1608: 1 mei, p. 68
(Lit. 217, B.G. Dijkhuis)

Voetnoten:
1. Er wordt aangenomen dat Sonoy tot maart 1593, het jaar van zijn eervol ontslag, in het kasteel heeft gewoond.(Lit. 135b)(Lit. 10)(Lit. 5)
2. De staten van Holland hebben reeds in 1578 toestemming gegeven voor de ontmanteling. Pas in 1591 werd dit geëffectueerd blijkens een post in de besluiten van het stadbestuur van Medemblik: Westfries Archief, Hoorn (WFA); Oud archief Medemblik, toegangsnr. 0715-1; inventarisnr. 10, fol. 23 (1 augustus 1591).
In 1592 werd besloten om de stenen te gebruiken voor het maken van een stadspoort (Oosterpoort): idem, fol. 24v. (2 april 1592).
Deze sloop kreeg nog een staartje. Vanwege instabiliteit, na het weghalen van noordmuren, dreigde een deel van de noordoostelijke hoektoren deels in te storten, daarom werd in 1594 een deel van deze toren verwijderd (met dank aan Peter Swart voor de tip): WFA; 0715-01, inventarisnr. 662 (thesauriersrekening Medemblik 1594).

[Vorige][Volgende] [Home]