An den slote tot Medebliec

Vraagstukken rond de staat van het kasteel van Medemblik tijdens de middeleeuwen.

Door Ben Dijkhuis

(Dit artikel verscheen eerder in de Jaaruitgave van de Oudheidkundige Vereniging 'Medenblick'; nr.20; 2012; p. 7-16, Lit. 179)
(laatste bijwerking, juli 2014)

Er is veel over 'Kasteel Radboud' geschreven, maar ondanks de centrale rol die het slot in oostelijk West-Friesland speelde, was er nauwelijks iets over de middeleeuwse toestand van het kasteelgebouw en het omliggende terrein bekend.
Mede dankzij een recent gevonden 15e-eeuwse grafelijke rekening en een inventarisdocument uit de 16e eeuw, is er meer licht op de zaak gekomen. De inhoud van deze manuscripten heeft niet louter tot interessante ontdekkingen geleid, maar tegelijkertijd nieuwe vragen opgeroepen. In dit artikel wordt vast een aantal zaken op een rij gezet.



1. Middeleeuwse staat naar gangbare modellen

Afb.1 Plattegrond van kasteel Radboud naar Renaud.
Afb.2 Ter vergelijking: een hoektoren en een deel schildmuur van het Muiderslot, voorzien van zogenaamde spaarbogen.
Afb.3 Het kasteel van Medemblik, de noordwest-zijde. Uitsnede van de belegeringskaart uit ca. 1588 van een onbekende maker.
Afb.4: De oostzijde van het kasteel van Medemblik. Tekening van Abraham Rademaker naar de situatie in 1640, mogelijk aan de hand van kopie van een oudere afbeelding, eerder vervaardigd door Andries Schoemaker.

Het model naar J.G.N. Renaud

Alvorens een en ander in dit artikel te bespreken, is het voor een heldere beeldvorming nuttig een kort overzicht te geven van eerder geopperde modellen met betrekking tot het kasteel tijdens de middeleeuwen. Het model van J.G.N. Renaud's steunt op de iconografie. Dit model (Afb.1) is deels gebaseerd op oude prenten, en deels op vergelijkend onderzoek, waarbij vooral naar het Muiderslot is gekeken1.

De aanzet was een vierkante waterburcht met een grondoppervlakte van ca. 32 x 40 meter, bestaande uit twee hoofddelen, een woonvertrek en een ommuurd slotplein met een weergang rondom het gehele slot ('chemin de ronde'). Het woonvertrek, twee stotende vleugels, zijn tegen de zuid- en westmuur aangebouwd. Op iedere hoek van het slot, stond een uitspringende ronde toren en aan drie zijden, in het midden, kleinere vierkante torens. De ingang van het kasteel situeerde Renaud aan de oostzijde, alwaar zich een poorthuis of poorttoren bevond.

Verder maakte Renaud melding van bakstenen muurresten en de overblijfselen van de torenfunderingen. Reeds eerder werd de zuidwestelijke ronde toren (ca. 1895) opnieuw opgericht en in 1938 werd de noordwestelijke toren tot het maaiveld opgemetseld. Evenwel meldt Renaud expliciet dat er geen(!) archeologisch onderzoek heeft plaats gevonden.

Vanwege de relatief geringe dikte van schildmuur en torens (112-124 cm), was het volgens Renaud noodzakelijk, om ten behoeve van een bredere 'chemin de ronde', de schild- of weermuur te voorzien van zogenaamde spaar- of steunbogen (Afb.2). Overigens blijkt uit opmetingen, dat de aangebouwde meest oostelijke vleugel op de plattegrond, pas uit de 14e eeuw dateert2.

Een 19e eeuwse interpretatie
Het is de vraag of Renaud voor zijn model ook gebruik maakte een vogelvluchtkaart waarop het beleg van Medemblik door het leger van prins Maurits in 1588 is afgebeeld. We zien op deze tekening (Afb.3) het kasteel in volle glorie, dat wil zeggen naar de situatie, pal vóór de grote sloop van de noordelijke torens en muren tijdens de jaren 90 van de 16e eeuw).
Alhoewel de tekening in grove lijnen is samengesteld zonder al te kleine details, zijn er twee zaken direct in het oog springend. Ten eerste een forse noordwestelijke hoektoren, blijkbaar een diagonale functionele tegenhanger van de zuidoostelijke toren die prominent op 17e en 18e eeuwse prenten te zien is. Ten tweede een robuuste poorttoren of poorthuis aan de noordzijde, vrijwel op de plaats van de huidige ingang van het slotplein.
Het is aannemelijk dat dit poorthuis, tevens de hoofdtoegangspoort was.

Sommige van de oude afbeeldingen tonen een ingang aan de oostelijke poorttoren - zoals blijkt op een tekening (Afb.4) van Abraham Rademaker - met een smalle, kennelijk houten brug die slechts voor personen was bedoeld en niet voor zwaar materiaal, zoals paarden, wagens en militaire manschappen.

De prent van Maurits' beleg was ook bekend bij Victor de Stuers (1843-1916), één van de voorname en invloedrijke personen die bij de eerste restauratie (1890-1893) van het slot betrokken waren. Aan de hand van de bovengenoemde belegeringskaart, schetste hij een reconstructie (Afb.5)

Deze stuurde hij samen met een geschreven toelichting op een briefkaart in juli 1890 aan de toenmalige directeur van het Rijksmuseum B. van Riemsdijk3.
Op de afbeelding is te zien dat de Stuers veel details zelf invulde, zoals een valbrug, trapgevels en spaarbogen. De tekst op de briefkaart luidt als volgt: Op de afbeelding is te zien dat de Stuers veel details zelf invulde, zoals een valbrug, trapgevels en spaarbogen. De tekst op de briefkaart luidt als volgt:

"Ik dank U Zeer voor Medemblik, het geeft eenige nuttige aanwijzingen. Zie eens of gij meer vindt. Doch signaleer het mij vóór gij doortrekt, want ik heb eenige gravures nagegaan (Pronk b.v.). Gecorrigeerd stel ik mij Uw schets (Muller 972) aldus voor. Wat mij verwondert is dat toren a lager is dan b. -c is wel een schoorsteen?
-d heeft dat een dak met ezelsrug of zoo als ik het teekende?
Verifieer een en ander eens en stuur mij s.v.p. deze briefkaart terug.
De S.

d is met een ezelsrug overdekt
Bij e is geen trapgevel
Van den muur bij g is niets te zien, van dien bij f slechts een fragment."

Het gegeven dat het kasteel in het bezit was van twee poorthuizen wordt hierna (hoofdstuk 2) nog verder geanalyseerd aan de hand van de geschreven bronnen, die hierna nog ter sprake komen.

Afb.5 Een reconstructie van het kasteel door Victor de Stuers in 1890..

Model naar Holstein, Kamphuis en Viersen
Een derde model (naar Holstein, Kamphuis en Viersen) die men recentelijk hanteert heeft betrekking op de allereerste bouwfase (ca. 1289) van het kasteel. A. Viersen en J. Kamphuis hebben in 1995, in het kader van restauratiewerkzaamheden aan het Muiderslot, een uitgebreid onderzoek aan het muurwerk uitgevoerd.

Hieruit leidde men af dat de eerste bouwfase van dit kasteel, niet meer inhield dan een bijna vierkante ommuurde binnenplein van 32x35 meter, met aanwijzingen voor een schildmuur met spaarbogen en op iedere hoek de aanzet van een ronde toren. Binnen deze ommuring zou mogelijkerwijs een eenvoudig gebouw van hout of vakwerk aanwezig geweest kunnen zijn. De zaalbouw zou dan uit een latere bouwfasen dateren.

Samen met medeauteur R. Gruben, trekken zij dit gegeven door tot een vergelijking met het Medemblikker kasteel in een Duitstalig artikel4. Men gaat er vanuit dat krijgskundig gezien de noodzaak aanwezig was om de eerste bouwfase in korte tijd te voltooien. Daarbij refereren zij naar persoonlijke mededelingen van de Haagse architect J. Holstein van de Rijksgebouwendienst, die bij de restauratie van kasteel Radboud in de jaren 1963-1966 betrokken was. Dit leidt, evenals bij het Muiderslot, naar een model van een ommuurde binnenhof met de eerste aanzet van hoektorens en een laag woonvertrek.

Alhoewel een vergelijking met het kasteel van Muiden plausibel is, is het echter gebleken dat deze bevindingen niet door J. Holstein zijn gedocumenteerd, noch getekend of gefotografeerd. Zodat het bewijs ontbreekt. Desondanks is het idee door verschillende auteurs overgenomen, waarbij de vierkante torens in eerste aanzet beschouwd werden als uitstekende onderdelen (bastions) van de schildmuur.

Eveneens zou er sprake zijn van schietgaten in het huidige woonvertrek, hetgeen zou aantonen dat deze pas tijdens een latere fase, tegen de zuidelijke en westelijke schildmuur was opgetrokken5,6.

Dit voor waarheid aannemende, heeft men tijdens de laatste restauratie de lage muur , kantelen en schietgaten in de huidige staat van het woonvertrek geïllustreerd door gebruik te maken van een andere kleur baksteen.

2. Een reconstructie op basis van schriftelijke bronnen

De oudste schriftelijke melding van enkele functionele objecten tot nu toe, is een post van een rekening van baljuw Bartolomeus van Raaphorst uit 1386, waarin diverse reparaties en werkzaamheden zijn gemeld:

"Idem van timmeringhe ander brugghe, aender coken, aen den bachuse ende alwaer daert aenden huse tot Medemleec te doene was. xv lb
Idem, haer Bartolomeus vande zinen hedden vanden huse tot Medemleec van xv weke xxx lb "
7.
[brugghe= brug; coken=keuken; bachuse=bakhuis, bakkerij; huse=huis/het kasteel]

De huidige, en meest belangwekkende informatie is afkomstig uit een grafelijke rekening, die wonderlijk genoeg, pas recentelijk boven water is gekomen8,9.

Het manuscript 'Rekenyngen van Bengaert Sey van der tymmerage bij him gedaen anden slote tot Medebliec van zes jaren' (hierna kortweg Tymmerage genoemd) geeft een onderhoudsverslag van het kasteel, ten tijde van de kastelein Banjaert Sey Jansz., gedurende de periode 1438-1444.

Een eerste grove transcriptie door Bernd Ooijevaar uit Hoogwoud10, geeft reeds een complete indruk over de staat van het kasteel, zoals de namen van de torens en kamers, alsmede de bijbehorende dienstgebouwen en -ruimten (Afb.6).

Afb.6 Een schematische plattegrond met de objecten, zoals deze in Tymmerage zijn gemeld.

Een overzicht van deze objecten zijn in bovenstaande afbeelding schematisch weergegeven:
1. Bottelarijtoren (bottelrie torre);
2. Kleine Bottelarijtoren (cleyn bottelrie torre);
3. Molkentoren (molken torre);
4. (Nieuwe) Poorthuis (nye poorthuys);
5. Monnikentoren (moncke(n)torre);
6. Oude Poorthuis (oude poorthuys);
7. Gevangenistoren (ge)vangen torre);
8. Niet benoemd;
9. Zaal (sale);
10. Grote Kamer (grote kamer);
11. Blauwe Kamer (blaeu kamer);
12. Nieuwe kledingmagazijn (garderobe) (nye wairde ruebe);
13. Nieuw altaar (nye outair) en
14. Bakkerij (bachuys)11.

We kennen naast de genoemde torens en dienstgebouwen ook andere functies zoals een keuken, een korenzolder, schrijfkamer, twee 'bouwhuizen' met stallen etc. Eveneens wordt er veelvuldig gesproken over de (spaar)bogen van de schildmuur, hetgeen een bevestiging van Renaud's veronderstelling is.

Een flink aantal namen en functies van de bovengenoemde objecten wordt bovendien bevestigd in een 110 jaar jonger manuscript. Dit document 'Medemblyck geinventarieert in Julio LIIII' (1554) (hierna kortweg Inventarys genoemd) beschrijft een inventaris van artillerie, munitie en meubilair in het kasteel tijdens het kasteleinschap van Cornelis van Rijswijk12,13,14.

Een nieuw altaar
Het was reeds bekend dat baljuw Dirk van Oudshoorn een gebedsruimte in het slot had en dat hij eveneens van graaf Willem III een vaste kapelaan in dienst mocht nemen, aanvankelijk tegen een salaris van "jaerlix drie pond Hollands ende een paer cleder toit des capelains behoef, ende alsoe vele zullen wi hem jaerlix guiten in zire rekeninghe" (1325). Uiteindelijk mocht de kapelaan tegen hetzelfde salaris blijven, maar hij mocht alleen kapelaan zijn en moest iedere dag de mis lezen. De baljuw moest 'uit eigen zak' de kapelaan eten en drinken geven, terwijl graaf het salaris betaalde15.

Het gegeven dat een deel van het kasteel tijdens de middeleeuwen als kapel werd gebruikt wordt bevestigd in Tymmerage, met de melding van een altaar 'uit ouden tijden', dat als aanrecht in de keuken diende. Omdat er verordonneerd werd dat voortaan in de Zaal gekookt moest worden, besloot men tevens het altaar in ere te herstellen, maar op een andere plaats. Men hieuw een alkoof in de muur waar de Grote Kamer aan de Blauwe Kamer grenst (zie Afb.6, nr. 13). Daarna werd het voorzien van een bewerkte zerk, kennelijk als altaartafel, die de kastelein 'op het huys' vond:

"So als dien outair van ouden tijden doe aen dat huys een kueken was. Inde sale geordineert wort bij gebrek dater ins geen kueken, en is men inde sale koken moet. So heeft de voirscreven castelleyn een outair doen houwen inden muyr die tussten de voirscreven kamer [= Grote Kamer] is ende blaeu kamer, ende dair toe een zarek die hij op den huyst vant doen houwen, ende sagen, ende die outair doen bemaken op sijn vriesch.".
[outair = altaar; zarek = zerk; vriesch (console met ornament? b.v. fries, boogfries)]

In het stuk Inventarys spreekt men in dit verband in plaats van 'Grote Kamer' van 'Kapelkamer'. De alkoof van het altaar is tegenwoordig nog goed zichtbaar, met een ingebouwde opvallende vitrinekast, bij de huidige ingang van het kasteel.

Het bolwerk
In diverse onderdelen van Tymmerage is er sprake van het 'bolwerck', een term die op een versterking of verschansing duidt, hetzij een versterkt onderdeel van een groter geheel. Het bolwerk was volgens de beschrijving in Tymmerage een plaats voor boerderij-activiteiten, gezien twee 'bouwhuizen' zowel 'voor' (1) als 'beneden' (2) in het bolwerk, met diverse stallen voor koeien, schapen, paarden, veulens en ossen, alsmede een 'verkenscot' en een 'hoendercot'. Aan de stenen gevels van de 'bouwhuizen' werden de nodige reparaties en aanpassingen uitgevoerd en diverse voorzieningen binnenin aangebracht:

(1)"Dat bauhuys
Item want bauhuys staende voir int bolwerck alinge vergaen was uutgesondt twee sijtmuyre ende eenen gevel. So heeft de voirscreven castelleyn die anderen gevel doen opmaetsen, ende die sijtmuyren doen langen omtrent viii voeten ende binnen doen maetsen in dat pairtstal twee pissyn goten ende [dat] coestal met een grip, ende dat allinge huys van nyes boven doen tymmeren, ende decken met riet, met een nye duercassyn, ende drie nye veynsteren cassinen, cribben ende ander resscepe dair inne als dat buert, coyen, pairden, scaepen ende andre bie in te setten alsint na sijn behoren buyten dair aen een hoenrecot, bij een verkenscot die gedect met plancken ende met lyem, ende gedect met riet als dat dient. "
.
(2)"Int bauhuys beneden int bolwerck
So also die ossestal ende andere dat bauhuys bynnen zeren vergangen was. So heeft de voirscreven castelleyn die vorscreven ossestal doen maken so als hij hoopt dat hij wel L jaer duyren sal moigen, dessthelyx dat volenhock ende after inde pertstal. "
.
[pissijn: afvoerbuis voor water en afval, ook een goot in een stal, waarin de pis en ontlasting van het vee wegloopt; grip (grep) = greppel; lyem: (leme, leeme, leym, liem) = leem, waarmee de wanden werden dichtgesmeerd; destelick/desthelyx = desgelijks]

De vraag is wat dit bolwerk was en waar deze was gesitueerd? Het eerste waar men aan zou denken is dat het 'bolwerck' een aanduiding voor het ommuurde slotplein was, doch we zullen zien dat het aannemelijker is dat deze zich buiten slotmuren bevond, gezien de ruimte die voor de vele boerderij-activiteiten nodig was.
Daarmee komt men op de aanlokkelijke gedachte dat het kasteel wellicht een voorburcht had, zoals dat het geval is bij het Huis te Nuwendoorn (bij Eenigenburg), de Nieuwburg (bij Oudorp) en het Muiderslot, drie andere burchten van Floris V.
Het is gebleken dat de tekst in Tymmerage zelf de nodige aanwijzingen geeft van de identiteit van het bolwerk, namelijk met het oog op een te graven put en het repareren van de aanwezige bestrating.

Omdat op het bolwerk geen waterbron aanwezig was, werd het vee op het slot zelf beweid en kreeg het daar 's winters ook water, hetgeen steeds tot veel overlast leidde. Dit waren redenen genoeg voor de kastelein om in het bolwerk een put te laten graven (3). Uit een ander deel van het manuscript blijkt inderdaad, dat op het slot zelf reeds een put aanwezig was, waaraan het nodige moest gebeuren (4). Wellicht werd de laatstgenoemde put, blijkbaar gesitueerd op de binnenplaats van het slot, aanvankelijk aangewend om het vee van water te voorzien, voordat men op het bolwerk een put ging graven. Dit is het eerste bewijs dat het slot(plein) en het bolwerk twee verschillende afdelingen van het kasteelterrein waren:

(3)"Aen die put[er] int bolwerck Also als op den huyst geen wellen ist, perden noch geen vanden beesten inne te wateren ende men die winters boven op dat slot wateren moest, dat zeer zorchlike ende ongelegen was bij vele redenen die van inne te beweyen staen. So heeft de voorscreven castelleyn om sbesten will ende alle ongeval te verharden, int bolwerck eenen put doen graven ende besetten met wyn tonnen ende andres doen maken nae selven behoren.".
[wyn tonnen = lege (wijn-) tonnen werden vaak gebruikt als beschoeiing voor putwanden]

(4) "Item zo als de voorne put boven der aerden zeer vergaen was ende die grote steenen dair hij boven ront omme mede beleyt met ijsers, ende met loot daer inne begoten was, alinge gesteyden wach, ende de spring galch, dair men t water mede op putte ter neder gewaeyt in stucken. So heeft de voirscreven castelleyn die weder doen op maetsen ter moester oirboir ende die grote steenen weder doen vougen aen een ende met ijseren doen vast maken, ende begieten met loot, ende een stijl aen die put doen setten met een dweershout onderstoirt met een corbeel, ende die polleye wil doen beslaen met ijser, ende dair toe een ijserinde veter met tween duers beslegten met ijserinde banden, ende op elx een cruys met van ijser, dat men daer uut met wasschen en machende andere also als dat beste dient. ".
[(spring)galch, galg = houten staak boven een put, voorzien van een beweegbaren arm of hefboom, die tot het oplichten van den emmer dient (putgalg); corbeel, korbeel = steunbalk met inkeping waarop een andere balk rust; polleye, palei/polei = katrol, windas; veter = ketting, kabel]]

In het bolwerk was een stenen straat, doch uit de beschrijving valt af te leiden dat dit expliciet, óók het geval was op het slotplein met een straat die van de poort naar de 'Zaaltrap' (een aanwijzing dat er een ingang aan de westvleugel was) liep en de nodige reparaties onderging:

(5)"Aen die steen straten int bolwerck en op den huyst.
Also als die paden die beneden int bolwerck plegen te wesen, ende desthelyx boven vander poort tot aen die sael trappe, allinge vergangen wach, so heeft de voirschreven castelleyn die lange ende d'weerd doen maken met cantelinge steen ende die canten doen beleegen, ende palen met houten op datte diver stede houden, sal zo datmen overall droge gaen machen."
.
[cantelinge steen = een steen op zijn kant]

Dit tweede bewijs dat het bolwerk zich buiten de kasteelommuring bevond, zegt nog niets over de positie ervan, maar gezien de oriëntatie van het kasteel met het noordelijke poorttoren, ligt het voor de hand om deze noordelijk van het slot te situeren, met een brug naar het poorthuis. Kennelijk wordt dit ondersteund door de oudst bekende kaart van Medemblik van Jacob van Deventer, die uit ca. 1562 dateert. Daarbij kan men voorzichtig ervan uit gaan dat de geografische situatie ten opzichte van die van de 15e eeuw weinig veranderd is.

We zien op de uitsnede van deze kaart een plattegrond van het kasteel (Afb. 7), met aan de westzijde (links op de afbeelding) enkele landerijen en sloten en vervolgens ten noorden van het kasteel een rechthoekig stukje land (Afb.7, pijl) dat kennelijk met een brug aan het slotplein was verbonden.

Afb.7 Uitsnede van de kaart van Medemblik van Jacob van Deventer (ca. 1560). Rechtsonder zien we het kasteel, daarboven ten noorden een stukje land (pijl), waarvan het aannemelijk is dat dit de plaats van het bolwerk was. Ten westen van het kasteel een aantal landerijen, doorsneden met sloten.

Dit stukje land heeft de juiste afmeting voor een voorburcht bij vergelijking van plattegronden van andere burchten, waarvan de aanwezigheid van een voorburcht is gebleken. Omdat er op de kaart, behalve dan de contouren van een voorburcht, niets valt op te merken, is het mijns inziens erg onwaarschijnlijk dat het 'bolwerk' en de gebouwen daarin, de aanval van Grote Pier en de Gelderse troepen in 1517 hebben overleefd.

De vraag is nog of het bolwerk was opgetrokken van steen of door middel van een aarden wal.*) Archeologisch onderzoek zou wellicht dit kunnen ophelderen, alhoewel het gebied erg is verstoord door allerlei veranderingen, zoals het opwerpen van een extra verdedigingswal in ca.1588 en het aanleggen van de Oosterpoort en het doorgraven van de Oosterhaven in de jaren daarna (vóór 1599).
Met de veronderstelling van een voorburcht is er een parallel te trekken met het Muiderslot, zoals blijkt uit een rekening uit 1373, met de melding van de aanwezigheid van een 'bouwhuis', 'molkenhuis', 'turfhuis' en 'stal' in de "voerburch". Zoals uit de rekening blijkt werden er reparaties aan de omgevallen, kennelijk houten poort van de voorburcht verricht: "...eyke sparren ant voerburch ghebezicht an de poerte die ter neder ghevallen was.."16. Voor wat betreft het Huis te Nuwendoren, zijn uit een rekening uit 1345 eveneens boerderijactiviteiten af te leiden, met name een 'molle' (molen), 'barch' (hooiberg) en 'scure' (schuur)17.

*)Opmerking auteur 25-04-2014: Bij het schrijven van dit artikel was er slechts 55% van Tymmerage getranscribeerd. Omdat nu van het gehele document een transcriptie is gemaakt zijn er meer waardevolle gegevens bekend geworden, waaronder feiten die aantonen, dat er sprake was van een aarden omwalling van het 'bolwerck'.
Daarnaast is er een aantal aanwijzingen bekend, waaronder in Tymmerage, die betrekking hebben op een wal of dijk ten noorden van het kasteel, die vanaf de zeedijk verder westwaarts liep. Vanaf deze dijk liep de toegangsweg naar het bolwerk. Op de kaart van 1588 ziet men nog een strook, dat 'oude wal' wordt genoemd.

Het oude en nieuwe poorthuis
Het is ongebruikelijk dat een kasteel in het bezit was van twee poorthuizen of poorttorens, zoals dit bij het Medemblikker kasteel het geval was. Het onderscheid tussen twee verschillende poorthuizen wordt, naast de tekst in Tymmerage, ook nog eens bevestigd in Inventarys. Hierin lezen we 'Inde oude poort', 'Boven op de selve oude poorte' en 'Noch op dopperste van selve oude poorte' en over de andere poort van het kasteel: "Inde poorte…. Een quartier slange staende inde voorpoorte vanden voorn huys root geverwet leggende op raederen ende is goet.".

Als men bij de interpretatie hierboven, de belegeringskaart van 1588 (Afb.3) meeneemt, dan mogen we er vanuit gaan dat het 'nye poorthuys' uit Tymmerage dezelfde is als de 'voorpoorte' in Inventarys, dus de poort op het noorden.

Dat wil niet zeggen dat het Oude Poorthuis aan de oostkant geheel functieloos was; maar het had in ieder geval niet de functie van hoofdpoort. Op een prent van Abraham Rademaker, mogelijk naar voorbeeld van een oudere afbeelding getekend, zagen we reeds een smalle loopbrug (Afb.4).

Uit Tymmerage blijkt dat deze toegang van het kasteel niet van een al te geweldige kwaliteit was, zodat de kastelein werd gedwongen om een extra stevig poortje (waterpoortje) in de muur te laten maken, voorzien van een stevige deur met een vluchtdeurtje, een valbrug, alsmede over de gracht een loopplank met leuning met middenin een toegangsdeur met nog eens een valbruggetje:

"Die waterpoorte metter brugge
Item zo als aen al dat voirscreven huys met meer, en was van een uutgang voir ter poorten dat al sorchlichs was hoe een castelleyn belopen mochte wesen, so heeft die voirscreven castelleyn dair aen doen maken onder de boige die leyt onder die trap vand gevangen torre een waterpoorte met een starc cassyn, ende een starke duer, ende met een valbrugge met een cleyn wyket met een trap omtrent vier voeten neder gaende, ende is die aling duer wyt ende lang omtrent vyftalnen voet ende die wel gebonden ende versyen met ijser ende sloten als dat buert, ende met eenre waterbrugge een planck breet met eenen leen van eekenhoute langenom hecken die cruyswys gebonden sijn als dat dient, met een poortael midden vander graft op de brugge, met een duer ende valbrugge ende ijser ende sloten dair tot dienende. "
.
[wyket = vluchtdeurtje; leen = leuning; eekenhout = eikenhout; voet = lengtemaat van ca. 28 cm]

Als ooit de noodzaak heeft bestaan om een nieuwe hoofdpoort op te richten, kunnen we de conclusie trekken dat de Oude Poort voor dit doel niet meer functioneerde. De enige reden die ik daarvoor kan verzinnen is dat de oorspronkelijke primaire toegankelijkheid aan de oostzijde blijkbaar verloren is gegaan. Dit is verklaarbaar uit de veronderstelling dat de dijk aan de oostzijde van het kasteel meer naar het westen is verplaatst, zodat er een flink deel van het land buitendijks kwam te liggen.

Vóór die tijd zou het zelfs niet onmogelijk zijn geweest dat er een oostelijke voorburcht was die weer toegang gaf aan het slot via de toenmalige voorpoort, die later de aanduiding Oude Poorthuis kreeg. Met andere woorden, dat de voorkant van het kasteel aan de oostzijde was gelegen. Als dit waar is, zou het kunnen betekenen dat het 'bolwerk' als geopperde voorburcht van latere periode geweest moet zijn en mogelijk vrijwel gelijk met het nieuwe poorthuis is neergezet.

Het land werd vaak geteisterd door stormvloeden, maar die van 1334/35 (St. Clemensvloed) was voor Medemblik en het kasteel wel heel erg nijpend18. Het was zelfs zo erg dat de stad Medemblik samen met het kasteel onder dreigden te gaan. Vanuit het Drechteringer- en Houtwouderambacht werd aan graaf Willem III toegezegd om in geval van uiterste nood de stad en kasteel aan de zee prijs te geven en zelfs elders opnieuw op te bouwen. Gelukkig kwam het niet zover, maar de noodzaak ontstond dat men over de gehele lengte van de omringdijk vanaf Barsingerhorn tot aan Medemblik een inlaagdijk liet aanleggen19.

"Wi scepene, waerdslude ende ghemeene Westvriesen van al Drechterland, van al Oudwoudiggher ambocht uyt ghenomen die poerte van Medenblic …Willem van Heynnegouwen … Grave van Zeelland [graaf Willem III] omme onser alre narensteliken versoec ende bede willen ons gheoerloft heeft een inlaghe te maken van Beersingher hoerne tote Medenblic toe, daer hi in vermoet dat men corteliken die borch ende die poerte te Medenblic omme uyt diken moet.... zoe wilc tijd hi wille zinen borch te Medenblic versetten... dat wi vermoeghen, ter tijd toe dat hi zine borch ende zine poerte van Medenblic voernoemt verset ende volmaect heeft...".

Het is daarom aannemelijk dat men deze nieuwe inlaagdijk doortrok via de oostkant van de stad en het kasteel, hetgeen in tegenspraak is met de mening van P. Boon, dat de huidige Oosterdijk geen inlaagdijk is, ondanks diverse meldingen van veel buitendijks land20.

Als er land buitendijks wordt gebracht, wil dat nog niet zeggen dat het meteen door de golven wordt weggespoeld. Zo is er na 1400 sprake van een stuk buitendijks land, dat 'nabij' en 'voor'(!) het kasteel was gelegen. Dit stuk land werd door Willem VI (van het Huis van Beieren) in 1416 vergund aan kastelein Dirk van Zanthorst, met de bedoeling dit te bedijken. Een deel ervan werd bedijkt (1437). In 1484 sprak men in dit verband over 'Dirc van Zandhorsts Nes' of 'Dirc van Zanthorsts Uiterdijk' (1485)21.

Gevangentoren

Als we tegenwoordig over de gevangenis van het kasteel praten, gaan onze gedachten uit naar het huidige kot in de vierkante zuidelijke toren dat aan het woonvertrek grenst. In Tymmerage is er sprake van de Vangentoren of Gevangentoren. Deze naam betekent letterlijk gevangenistoren, en komt men ook elders in het land tegen bij poorthuizen of vestingtorens, waaronder die van Harderwijk met zijn Vanghentoren en in de Gevangentoren van Vlissingen.
Uit Tymmerage blijkt dat deze Gevangentoren aan een schildmuur met spaarbogen grensde:

"...onder de boige die leyt onder die trap vand gevangen torre...".

Overigens roept dit meer vragen op, dan er worden beantwoord. Ten eerste dat de hier beschreven Gevangentoren niet dezelfde toren is als de huidige gevangenistoren, want deze was ook ten tijde van Tymmerage ingesloten tussen de twee oostelijke woonvleugels (Afb. 6, nr. 8). Omdat de overige torens reeds eerder in de context van Tymmerage waren benoemd, komt de zuidoostelijke ronde hoektoren voor de naam 'Gevangentoren' in aanmerking (Afb.6, nr. 7).

Verder wordt in Tymmerage ook enkele malen het woord 'stock' genoemd, wellicht met betrekking tot het vrijkopen van gevangenen (?):

"Van Nijdyng Symonsz van brueken bij bevele ende inder manyere vorscreven dair aff getogen stoeyelc vitten mogt zo als in dair mede vrij sceyden soude uutten stock, dair hij gevangen sat, die somme van x scl.".
[brueke = boete; getogen = aangetoond, bewezen; stoeyelc (stoitelic, stoutelik) = brutaal]

In P. Weiland's Nederduits woordenboek, vinden we voor het woord 'stock' twee betekenissen, namelijk een (schand)blok, waarin men de voeten van de gevangene insloot of een gevangenis22.
In Inventarys treffen wederom het woord 'stock' aan, nu blijkbaar in de betekenis van een (schand)blok, dat men ín de gevangenis aantrof:

"Inde gevangenisse
...Een oudt betstede. Eenen stock omme de gevangens inne te setten. Een oudt quaet bancxken ".

Verder is in tekst van Inventarys sprake van: "Inde thoorn boven den gevangenisse". Het is zeer waarschijnlijk dat deze gevangenis dezelfde is als het huidige cachot in de zuidelijke vierkante toren. Op de houten wanden en vloer staat een groot aantal namen en data met jaartallen ingekerft, waaruit blijkt dat deze cel veelvuldig in gebruik is geweest. Het is niet duidelijk of ten tijde van Tymmerage, deze cel reeds als zodanig in gebruik was en dat de Gevangentoren deze functie niet meer had en slechts bij naam werd aangeduid. Of waren in de 15e eeuw reeds twee gevangenissen en werd er wellicht onderscheid gemaakt tussen de afkomst van de gedetineerden? Misschien enerzijds 'voorname personen' die de fout ingingen en anderzijds 'de gewone man of vrouw' uit het volk?***) Van de hoogwaardigheidsbekleders is het bekend dat Albrecht, Heer van Schagen in 1480 in gevangenschap in Medemblik overleed23.

***)Opmerking auteur 25-04-2014: De bovenstaande theorie is ondertussen sterk afgezwakt. Een kort onderzoek van de gekerfde inscripties, van jaartallen in de houten wand van de huidige gevangenis, bewijst dat deze aan het einde van de 18e en begin 19e eeuw zijn aangebracht. Hieruit kunnen we voorzichtig de conclusie trekken, dat het huidige cachot in 18e eeuw door de stadsschutterij in gebruik werd genomen, hetgeen zou kunnen samenvallen met het verdere verval van de zuidoostelijke hoektoren. Kennelijk was de zuidoostelijke hoektoren zo vervallen, dat deze niet meer als gevangenis kon dienen. In Inventarys is sprake van een 'toren boven de gevangenis', waarin men een falconet op een affuit en een bedstede aantrof. Als we echter echeter het zoldertje boven de huidige gevangenistoren beschouwen is er geen ruimte voor deze objecten. Het is daarom aannemelijker dat ook in 1554 de zuidoostelijke hoektoren nog als gevangenis diende.

De hofweide
In Tymmerage wordt melding gemaakt van een stuk land dat 'hofweyde' wordt genoemd. Omdat de sloten van de hofweide een tijdlang niet uitgebaggerd waren en dat men sinds lange tijd niet meer in de singel van het huis had gevist, had dit geleid tot wateroverlast op de hofweide. Daarom heeft de kastelein de opdracht gegeven om de sloten van het slib te ontdoen en een verhoogde oever langs de singel laten maken en die te voorzien van rietzoden.

"Van sloeten in die hofweyd
.... van in die hofweyde die in langen tijden nyet gesloten hadde geweest, noch die gefyce die syngel vande huse, dat sij villne in corten tijt vergangen soude hebben bij aenwashinge van twater uutter graft ende die hofweyd, seer qualike gewatert was, dat sij oock zeer geaicht was sint diefer water. So vele op bleef staande heeft de voirscreven castelleyn die doen sloten ende die singel op doen werpen uutter graft ende die bort byneden doen besetten met ryetsoden tegens wasschen uutter graft... "
.
[sloeten= sloten; sloten = van slib ontdoen; bort = oever, rand (vgl. border); byneden (byneed) = in het uiterste geval; sint = sinds]

Dit toont aan dat het kasteelterrein, naast de aanwezigheid van het bolwerk nog uitgebreider was en zich kennelijk meer westelijk uitstrekte. Er wordt in de tekst een duidelijk onderscheid gemaakt tussen drie waterlopen met betrekking tot deze hofweide, dit zijn de gracht, de singel (van het huis) en sloten.

Men kan zich afvragen of dit grachten-complex, in het beeld past zoals dat op de kaart van Jacob van Deventer is weergegeven, waarop de slotgracht, alsmede enkele andere waterlopen (Afb.7) herkenbaar zijn. Als men dit gebied projecteert op de hedendaagse situatie, dan reikt het noordelijk tot aan de huidige Oostersteeg en overlapt het de straten Bangert, het Koningshof, de Wijdesteeg en deels de Oosterhaven.

Tot Slot

In dit verband wil ik dit artikel besluiten met de gedachte van een analogie, alhoewel dit moeilijk valt te bewijzen. Enerzijds met het verdwenen kasteel de Torenburg in Alkmaar, alwaar de straatnaam Kooltuin nog aan de moestuin van dit verdwenen slot doet herinneren en anderzijds de Medemblikker straatnamen Bangert (boomgaard) en Tuinstraat met betrekking tot Kasteel Radboud.

Raadselachtiger is de straatnaam Koningshof, hetgeen doet vermoeden dat er verband bestaat met het 'conings huys' dat in één adem met het kasteel wordt genoemd in een brief van Jacob Cabeliau en consorten, inzake diverse krijgsverrichtingen tegen de Spanjaarden in West-Friesland (1572)24:

"...dat de burgemeesters ende regeerders der selver stede mij eertijt zeecker beloften gedaen hebben, dat sij mij mit mijne souldaten t casteel ende conings huys sullen helpen bewaren...".

Ben Dijkhuis
Medemblik, juni 2012


Noten en geraadpleegde bronnen:

NA - Nationaal Archief (Den Haag)
NHA - Noordhollands Archief (Haarlem)

GH - Graven van Holland
GR - Grafelijkheidsrekenkamer Rekeningen

Ondersteunende internet-sites:

Herkomst afbeeldingen:

Afb. 1: Tekening M. Bloemendaal.
Afb. 2: Ingekleurde prentbriefkaart ca. 1900. Collectie Bernd Ooijevaar.
Afb. 3: Uit: Kabinet van Nederlandsche outheden en gezichten (1725); nr. 26.
Afb. 4: Amsterdam, Rijksmuseum, obj. nr.: RP-T-00-3602.
Afb. 5. NA; Ministerie van Binnenlandse Zaken, K&W, 1135.
Afb. 6: Tekening B. Dijkhuis.
Afb. 7: Internet : publiek domein.


  1. J.G.N. Renaud; Graaf Floris V als burchtenbouwer; Berichten Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek; 1957/1958; pp. 159-171.
  2. Herma M. van den Berg; De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst; Deel VIII; De Provincie Noordholland; 2e stuk: Westfriesland, Tessel en Wieringen; 1955; Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, 's-Gravenhage (Ongewijzigde herdruk: Gijsbers & van Loon, Arnhem 1971); p. 181
  3. E.Vink; Het kasteel van Medemblik, conceptversie RGB; 2010; p. 17 (Met dank aan M. Bartels, Archeologie West-Friesland).
  4. R. Gruben, J. Kamphuis, A. Viersen; Viereckige Burgen in den nördlichen Niederlanden. Eine kritische Betrachtung; In: Forschungen zur Burger und Schlössern, Band 8; 2004; Deutscher Kunstverlag; pp 149-153.
  5. G. Ros-de Korte; Kasteel van Medemblik. Deel 11 uit de serie 'Nederlandse Kastelen'.; 2e druk, 1979, Nederlandse Kastelen Stichting, Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB; p. 17.
  6. P.E. van Reijen; Middeleeuwse kastelen in Nederland; 1976; Fibula-Van Dishoeck, Haarlem; pp. 83, 84
  7. NA, GH, toegangsnr. 3.01.01; inventarisnr. 1990
  8. NA, GR, toegangsnummer 3.01.27.02; inventarisnr. 5002
  9. Ter hand gesteld door Bernd Ooijevaar te Hoogwoud in 2008.
  10. B. Dijkhuis, B. Ooijevaar; Tymmerage tot Medembliec, Groot onderhoud 1438-1444; 2009; www.dwangburchten.nl/medembl/tymmerage1438.htm
  11. De naam van de betreffende zaal in het kasteel, voorheen 'Wapenzaal' genoemd, is mede naar aanleiding van het gegeven uit Tymmerage, in 2011 feestelijk en officieel weer tot 'Blauwe Kamer' omgedoopt.
  12. NHA, archiefnummer 176; inventarisnummer 1395
  13. Ter hand gesteld door Peter Swart uit Hoorn in 2010.
  14. De transcripties van 'Inventarys' zijn van de hand van Bernd Ooijevaar. Zie ook: www.dwangburchten.nl/medembl/inventaris1554.htm
  15. NA, GH, toegangsnummer 3.01.01; inventarisnr. 325, f. 18r, nr. 70, 71 (klein register Friesland); inventarisnr. 324, f. 19r. nr. 70, 71 (67, 68)(groot register Friesland)
  16. J.G.N. Renaud; De bouwgeschiedenis van het Muiderslot; Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 6e jrg, 7 nov. 1954; kol. 203, 210. Renaud refereert naar ARA; Rekeningen Domeinen, nr. 5005, is nu: NA, GH, toegangsnr. 3.01.01 ; inventarisnr. 1687.
  17. H.G. Hamaker; De Rekeningen der Grafelijkheid van Holland Onder Het Henegouwse Huis, tweede deel; Historisch Genootschap Utrecht; Kemink, Utrecht; 1876; p. 556-558. Inzake werkzaamheden voor de heer van Egmond aan het Huis te Nuwendoorn.
  18. J. Beenakker; Van Rentersluze tot strijkmolen; 1988; Repro Holland, Alphen aan den Rijn; p. 44
  19. NA; GH, toegangsnummer 3.01.01; inventarisnr. 325, f. 30v. nr. 144 (klein register Friesland); inventarisnr. 324, f. 27v., nr.145 (142) (groot register Friesland)
  20. P. Boon; Voorland en Inlagen: de Westfriese strijd tegen het buitenwater; West-Frieslands Oud en Nieuw; 1991; Historisch genootschap 'Oud West-Friesland; p. 94
  21. J. Gonnet; Inventaris van het Oud Archief Medemblik; 1915; Westfries Archief Hoorn; pp. 50-52
  22. P. Weiland; Nederduitsch Taalkundig Woordenboek; 1810; deel S; Johannes Allart, Amsterdam; p. 711
  23. J.W. Groesbeek, Middeleeuwse kastelen van Noord-Holland: hun bewoners en bewogen geschiedenis; 1981, Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. 300, 304-306.
  24. Redactioneel; Kroniek van het Historisch Genootschap; 6e jaargang, 2e serie; 1850; Kemink en Zoon, Utrecht; p. 287. Diverse brieven en andere overgebleven archiefstukken van Medemblik, zijn destijds aangeleverd door een zekere A. Leupe uit Medemblik.

[Naar boven][Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]