Middeleeuwse dwangburchten van West-Friesland en Alkmaar
[Home][Kaart][Introductie][English ][Burchten/kastelen chronologie][Overige objecten][Artikelen][Pre-Hollandse periode][Gegevens- en bronnen]

[Terug naar inhoud artikelen]      [Home]

Diverse artikelen met betrekking tot de West-Friese dwangburchten en kastelen


Het kasteel te Medemblik (Kasteel Radboud).

De bouw en uiterlijkheden door de eeuwen heen.

(Update 18-07-2020)

De eerste bouwfase van het kasteel van Medemblik en Wijdenes

Dit artikel beschrijft de bouw en uiterlijk van kasteel Radboud in latere perioden dan die van de allereerste bouwfase. Desondanks is het belangrijk om eerst stil te staan bij de periode waarin opdracht werd gegeven om het kasteel te bouwen en een start te maken met een allereerste bouwfase. Men leest in diverse publicaties, dat het kasteel dateert uit het jaar 1287 of 1288. Hiermee beroept men zich op hetgeen, dat door de 'clerq' van graaf Floris V, Melis Stoke, in zijn Rijmkroniek was opgetekend. Het jaar 1287 was het jaar waarin West-Friesland in zijn geheel werd bedwongen. Het staat buiten kijf dat Floris V reeds in 1282, dat is het jaar van het begin van de bezetting van het oostelijk deel van West-Friesland, opdracht had gegeven voor de bouw van het kasteel van Wijdenes, maar ongetwijfeld ook die van Medemblik. Ondanks de inlijving van het gebied bleef het, door de opstandigheid van de West-Friezen, erg onrustig. De prioriteit voor een adquate verdediging was daarom hoog. De burchten konden immers daarbij als uitvalsbases voor de grafelijke troepen dienen.
Ondanks de gevaren die op de loer lagen, liet Floris V al op 3 mei 1283 een oorkonde vanuit Medemblik uitgaan. Het opstellen van dit document, zal in een beschermde omgeving plaats gevonden moeten hebben. Als men logisch redeneert, komt men tot een mogelijke verklaring dat in eerste aanzet, een eenvoudige voorloper van de burcht heeft bestaan, een bouwwerk dat in zeer korte tijd neergezet kon worden, desnoods binnen een tijd van enkele maanden. Immers, de periode van een jaar, gerekend vanaf ca. de eerste helft van 1282 tot mei 1283 is een te kort tijdsbestek om een stenen burcht te kunnen bouwen, omdat zo'n project jaren vergt.

Het is daarom het meest voor de hand liggend, dat er gebruik is gemaakt van een oudere succesvolle middeleeuwse bouwtechniek, daarbij denkend aan een omsloten aarden wal, dat van een muur van houten palissaden was voorzien, alsmede de aanwezigheid van een woonvertrek (donjon) op het kasteelterrein. Hierbij heeft men voor voldoende schootsveld gezorgd, en om indringers buiten te houden, was er een gracht of greppel aangelegd (noot 1). Graag verwijs ik in dit verband naar mijn onderzoekverslag uit 2019 over de primaire bouwfase (in pdf)(Lit. 212), waarin ik dit nader argumenteer, mede voor het huis te Wijdenes.

Anderzijds bijt deze theorie niet, met een andere zeer plausibele veronderstelling dat er al een vroegere vestingvorm aanwezig was, waarvan Floris V in 1282 direct gebruik kon maken. Dit zou eveneens gelden voor de andere Floris V-kastelen, behalve voor het huis te Nuwendoorn (Lit. 213). Voor de vestingvormen van Medemblik en Wijdenes zou het dan gaan om oud-Fries nalatenschap, waarbij wellicht sprake was van een omwalde burcht of omwalde/houten kampement. Dit laatste is wellicht verifieerbaar als men kijkt naar een beschreven versterking die de Hollanders bij Wijdenes (Nuwewic) aantroffen. De chroniqueur Willem Procurator meldt hierover voor het jaar 1282, het jaar van de bezetting van oostelijk West-Friesland, het volgende fragment (vertaald uit het Latijn) (Lit.214):

"Zij hadden zich na het bouwen van een bolwerk op een wal, als waren zijn onoverwinnelijk, teruggetrokken, en stelden zich met een krachtige macht tegen het leger van de graaf teweer."

De stenen vorm van het Medemblikker slot kwam mijns inziens pas later, waarbij men in een periode van relatieve rust, meer tijd beschikbaar had, samen met een voldoende voorraad aan bakstenen. Het is zeer waarschijnlijk dat dit al in 1297 gerealiseerd, gezien de moeite die de, door de bisschop van Utrecht opgehitste West-Friezen hebben gedaan om het kasteel te veroveren, maar toen dit niet lukte, zijn over gegaan tot een poging van uithongering van de bewoners. Voor het Huis van Wijdenes liep het anders af, deze werd iets eerder tijdens dezelfde opstand, tot de grond toe afgebroken. Mogelijk is dat de reden dat er nooit een fundering of structuur van het kasteel van Wijdenes is teruggevonden, op een kleine voorraad bakstenen, op de bodem van het Markermeer, na. Het is aannemelijk dat de intentie voor een stenen kasteel wel bestond, maar dat dit door omstandigheden nooit gerealiseerd werd.

Oude, doch onzekere conventies

De voorgaande logische werktheorie is wel in strijd met een bestaand discours, die in de jaren 1960 is ontstaan. Deze stelt eveneens dat een efficiënte verdedigingsfunctie de hoogste prioriteit had en dat het kasteel in zo kort mogelijke tijd in een opstandige omgeving neergezet moest worden. Daarmee hanteerde men, goed bedoeld, een absolute parallel met het Muiderslot. Dat wil zeggen, een protokasteel, of zoals u wilt een ommuurd kampement, bestaande van een vrijwel vierkante, lage stenen verdedigingsmuur, zonder aanbouw, maar met een voorlopig woonvertrek binnen deze ommuring op het kasteelterrein. Om dit één op één te vergelijken is mijns inziens riskant, omdat men voorbij gaat aan het feit, dat het jaren kan duren voordat een stenen burcht is gebouwd. De optie van een snelle bouw lijkt mij daarom erg onwaarschijnlijk.
Het idee is ontsproten uit de gedachtegang van de hoofdarchitect J. Holstein van de toenmalige Rijksgebouwendienst, die in het verleden bij het muuronderzoek aan het Muiderslot onder leiding van prof. J.G.N. Renaud, betrokken is geweest. Tijdens de restauratiewerken (1963-1966) aan kasteel Radboud, rapporteerde J. Holstein, sporen van een 13de-eeuwse kanteling en schietgaten in de muur van een van de huidige woonvertrekken. Deze behoorden volgens hem toe aan de kantelen van een voormalig (lage) schildmuur. Dit gegeven extrapoleerde hij naar de rest van de woonvertrekken van het kasteel. Daarnaast werd er verondersteld dat hoogte van de vierkante torens gelijk was aan die van de muur, waarvan zij in de vorm van rechthoekig bastions, een onderdeel van de muur uitmaakten (Lit. 47)(Lit. 11). Verder blijken er grote twijfels over de 'bewijsvoering' te bestaan.(Lit. 212). Over de grondslagen van het kasteel was bovendien niets bekend geworden, omdat men bij de Rijksgebouwendienst besloot om geen degelijk archeologisch onderzoek te laten doen. Mogelijk had dit te maken met het kostenplaatje en prioriteitstelling. Het lijkt mij zinvol dat er alsnog een degelijke muuronderzoek plaatsvindt.

De positionering van de vermeende kantelen en schietgaten in de zuidkant van het woonvertrek, gemarkeerd in het nieuwe metselwerk door middel van een andere kleur baksteen.

Rond het kasteelterrein zijn door middel van straatwerk, de contouren aangegeven, waarmee men heeft geprobeerd de oorspronkelijke omvang van het kasteel weer te geven. Deze reconstructie blijkt echter grotendeels op gissingen gebaseerd te zijn. Daarbij staat het vast dat de in 1938 deels opgemetselde noordwestelijke toren (Molkentoren) op de originele fundering, qua omvang veel groter was, dan die van de tegenwoordige reconstructie uit de 60-er jaren. Gezien het formaat van de originele fundering wordt het feit ondersteund, dat hier sprake was van een flinke robuuste toren. Hetgeen in overeenstemming is met een tekening op een belegeringskaart uit 1588 waarop deze toren prominent staat afgebeeld.
Hieruit blijkt, hoe goed bedoeld ook, dat de 'reconstructie', die tijdens de laatste restauratie is gemaakt, of een kwestie van bezuiniging was, een technische noodzaak, of in het ergste geval een moedwillige vervalsing. De echte reden is onduidelijk, maar het is niet onmogelijk dat men streefde naar het tonen van een grote mate van eenduidigheid en symmetrie, waardoor drie van de vier hoektorens (noot 2) dezelfde diameter kregen toebedeeld, zodat de aanvankelijk veronderstelde ommuring als het ware werd gesimplificeerd met overwegend gelijkwaardige torens. (Zie ook de onderstaande foto's.)
Het laatste is in 2007 tijdens werkzaamheden ontdekt, toen de beschoeiing van de kasteelgracht werd vernieuwd. Hiervoor moest men het waterniveau van de kasteelgracht laten zakken. De torenfundering werd daardoor bijzonder goed zichtbaar, zodat de werkelijke omvang goed waarneembaar was. Deze is door Archeologie West-Friesland opgemeten, waarmee men op een diameter van 10,90 meter kwam.

Beeldcitaat: De omvang van de deels met bakstenen opgetrokken noordwest toren (Molkentoren). Dit was de bestaande situatie van na 1938 en van vóór 1963 op een oude prentbriefkaart (uitg. Idema, Medemblik). Deze opmetseling is tijdens de laatste restauratie afgebroken en wederom, in kleiner formaat opgebouwd.
(Bron: Westfries Archief)

Het kasteel in volle glorie op een anonieme 16e eeuwse tekening.
Deze 16e-eeuwse tekening van het kasteel (rechts) is mogelijk de nog enige bestaande afbeelding, waarop het kasteel in volle omvang is te zien. De forse Molkentoren is als een zware toren prominent aanwezig. Verder is de noordelijke poortoren opvallend en dat de noordelijke weermuur lager is dan op andere plaatsen.(Fragment: Uitsnede van een anonieme tekening, 'Beleghering der stadt Medenblick----Anno 1588'.
(Amsterdam, Rijksmuseum, objectnr.: RP-T-00-3602)
)

De blootgelegde oorspronkelijke fundering van de noordwestelijke toren, die goed zichtbaar werd na het zakken van het waterpeil van de gracht. De werkelijke omvang blijkt veel groter te zijn dan de opgemetselde versie. Hetgeen aantoont, dat dit een robuuste toren was.
(Foto ter beschikking gesteld door Carolien van Berge, Kasteel Radboud)
Een strook puin in de gracht aan de noordzijde van het kasteel, dat direct grenst aan de noordwestelijke toren. De rechterfoto is een bewerking van de foto links, zodat deze puinresten beter zichtbaar zijn. Kennelijk zijn dit braaksporen van de noordelijke weermuur.
(Foto: Ben Dijkhuis)

De tweede bouwfase, naar het model van prof. J. Renaud

Tegenwoordig weten we veel over het stenen bouwwerk van het kasteel van Medemblik. Aan de hand van enkele pas ontdekte manuscripten en mede op basis van veronderstellingen, die eerder door kastelenarcheoloog, professor Renaud zijn beschreven (Lit.48, J.G.N. Renaud), heeft men meer inzicht verkregen over het stenen bouwplan van het kasteel, zoals deze mogelijk door de architecten van Floris V is bedacht. Een groot deel van zijn model blijkt achteraf goed te kloppen.
Het ommuurde slotplein had afmetingen van ca. 37x 40 m. De muren waren het gebouw van geringe dikte: 112-124 cm tot 67 cm van de vierkante torens. Het grondontwerp is naar voorbeeld van een omgrachte of met water omgeven vierkante burcht (waterburcht). Omdat de schildmuur te smal was voor een weergang, werden aan de binnenkant spaarbogen aangebracht. Dit laatste is bevestigd aan de hand van de onderhoudsrekening van 1438-1444, waaruit eveneens is gebleken dat er een voorburcht (in de vorm van een aarden bolwerk) aan de noordkant van het slot aanwezig is geweest.(Zie: Tymmerage 1438). Aan de zuidwestzijde, grenzend aan het binnenplein bevonden zich twee woonvertrekken. Men gaat ervan uit, dat Floris V het vierkante basisontwerp voor kastelen, in de Nederlanden heeft geïntroduceerd. Mogelijk heeft hij dit idee overgenomen van de Engelse vorst Edward I, die in zijn strijd tegen de opstandige Welshmen een soortgelijke tactiek voerde als Floris deed in zijn strijd tegen de West-Friezen. Toch is het ook mogelijk dat de contacten tussen Floris en Edward meer op het politieke vlak lagen dan op het gebied van de burchtenbouw. Het zou zelfs kunnen zijn dat het idee van de vierkante burcht afkomstig is van het principe dat in Noord-Frankrijk werd toegepast.

De bouw van vierkante burchten werd in ieder geval met succes door Edward I toegepast. Hierbij getuigt b.v. de tegenwoordige ruïnes van Flint Castle (1277) en Harlech Castle (1283) in het noorden van Wales. Het principe van de vierkante burcht vindt men eveneens terug in de grondplannen van de Nuwendoorn, Middelburg en Nieuwburg.

Een oorspronkelijk vierkant grondplan treffen eveneens buiten West-Friesland aan, naast die van het Muiderslot, ziet men dat ook bij de kastelen van Schiedam, Strijen en Doorn, die ook ten tijde van Floris V zijn gebouwd.
Het bouwplan van het kasteel in Medemblik heeft in ieder geval een belangrijk opvallend verschil met de overige rechthoekige of vierkante kastelen in West-Friesland en omgeving (Nuwendoorn, Middelburg en Nieuwburg): namelijk het ontbreken van een donjon of hoofdtoren. Het kasteel had vier uitspringende ronde torens op elke hoek en vier uitspringende vierkante torens in het midden van de zijden. Volgens de terechte zienswijze van Renaud, was de oostelijke vierkante toren groter dan de overige drie. Deze diende aanvankelijk als poortgebouw. Het is bekend dat deze functie uiteindelijk is overgenomen door een nieuw poortgebouw op de plaats van Renaud's noordelijke toren. Het is zeer aannemelijk dat deze verandering van functie een gevolg was van een dreiging van een watersnoodramp, misschien die van 1334/1335 (St. Clemensvloed). Een deel van het land ging verloren, waarna mogelijk een nieuwe dijk meer landinwaarts werd aangelegd, zodat tussen de Zuiderzee en de oostkant van het kasteel minder ruimte overbleef voor een adequate toegangsmogelijkheid. Dit is aan te merken als een vierde bouwfase (de derde wordt hierna behandeld). Het komt erop neer dat de oorspronkelijke oostwaarts gerichte oriëntatie van het kasteel naar het noorden werd verplaatst. (Zie mijn artikelen: An den slote tot Medebliec. Vraagstukken rond de staat van het kasteel van Medemblik tijdens de middeleeuwen.(Lit. 179) en An den slote tot Medeblieck (2).(Lit. 192)(pdf)

Een model van de het 13e eeuwse grondplan van het kasteel van Medemblik.
Een model van het eind 13e eeuwse grondplan van het kasteel van Medemblik (noord is onder). De toegang is volgens de bevindingen van prof. Renaud oostelijk gelegen. Twee vierkante 'uitstulpingen' (zuid en west) waren de secundaire vierkante torens, die aan het woongedeelte grensden. De noordelijke uitstulping is hypothetisch, mogelijk een bastion of secundaire toren, die aan het einde van de 14de/begin van de 15e eeuw tot nieuwe toegangspoort is verbouwd.

Een derde bouwfase. Aanbouw.

Men kan ervan uitgaan dat ergens in de periode vanaf 1300 tot aan ca. 1400, misschien ook wel eerder, de meest oostelijke woonvleugel is aangebouwd (Lit. 6). Dat het een aanbouw is valt direct op te maken aan de tussenliggende trapgevel. Deze aanbouw zou dan tegen een gedeelte van de oorspronkelijke zuidelijke schildmuur moeten grenzen. Het zou zomaar kunnen zijn dat Holstein iets van een kanteling en schietgaten juist op die plek gevonden heeft, maar dat is helaas niet duidelijk gedocumenteerd. De vloer van dit 'nieuw' aangebouwde woonvertrek ligt ook iets hoger dan die van aanliggende kamer. Het souterrain onder dit vertrek was aanvankelijk niet bereikbaar via de kelders van de oorspronkelijke twee woonvertrekken. Op dit moment is er nog geen schriftelijke bevestiging gevonden van de opdracht voor deze aanbouw. Daarom wordt de 14de eeuw voorlopig als richtlijn aangehouden. De kamer op de eerste verdieping van deze aanbouw, of een deel daarvan, stond in de 15de eeuw bekend als 'Blauwe Kamer'.

De omvang van de torens

Voor meer nieuwe gegevens aangaande de voormalige oostelijke torens van het kasteel, zie mijn onderzoeksverslag: Dimensionering van de verloren oostelijke objecten van het kasteel van Medemblik (pdf-bestand)(Lit. 215) (april 2018). Uit dit onderzoek blijkt dat het kasteel, voor wat betreft de torens van het slot eerder een asymetrisch dan een symmetrisch uiterlijk had.

Reparaties, onderhoud- en sloopwerkzaamheden en een vijfde bouwfase

In een rekening uit 1386 van baljuw Bartolomeus van Raaphorst, ongeveer een eeuw na de bouw van het slot, wordt melding gemaakt van reparaties aan brug, keuken, de bakkerij en al het andere dat aan het huis van Medemblik aanwezig was:

"..brugghe, aender coken, aen den bachuse ende alwaer daert aenden huse tot Medemleec te doene was." (noot 3).

Uit een andere rekening van de Hollandse grafelijkheid, die zich in het Nationaal Archief in Den Haag bevindt blijkt, dat er gedurende de periode 1438-1444 omvangrijke reparaties en aanpassingen aan het kasteel te hebben plaatsgevonden. Deze rekening bevat veel details over het kasteel. Naast de hiervoor genoemde brug, keuken en bakkerij, zijn drie kamers (Zaal, Grote Kamer en Blauwe Kamer) en zeven torens geïdentificeerd, alsmede enkele andere functionele bijgebouwen en ruimten. Zo is er sprake van zowel een Oud als een Nieuw Poorthuis, een bolwerk (voorburcht) en een hofweide. Het bolwerk werd voornamelijk voor veehouderij en voor verwerking van gewassen aangewend. Eén van de latere aanbouwen van het slot (dit is te beschouwen als vijfde bouwfase), is de zgn. 'weirde reube' (Frans: 'garderobe', Engels: 'wardrobe'). Dit was kennelijk een magazijn of opslagplaats voor kleding en mogelijk ook voor wapenuitrusting. Deze is op de plattegrond, grenzend aan het hoofdgebouw, in blauw aangegeven. Aanvankelijk werd dit deel voorheen, abusievelijk als 17e eeuws aangemerkt. We weten nu dat deze na een aantal mislukt pogingen, in de 15e eeuw gereed is gekomen.
Lees meer over deze rekening op een speciale pagina: Tymmerage tot Medembliec 1438.

Een tweede document, die qua inhoud hier aardig op aansluit is een manuscript uit het Noord-Hollands Archief, een inventaris van oorlogsmaterieel en meubilair op het slot van Medemblik uit 1554. Sommige ruimten en functies zijn anders benoemd, terwijl andere namen hetzelfde zijn als in 'Tymmerage 1438'. Zo is er een Rode Kamer, Kasteleinskamer, Kapelkamer, een brouwerij, een kruittoren en diverse kelders.
Lees meer over deze inventaris, eveneens op een aparte pagina: Inventarys ten huyse ende slote van Medenblick 1554

De lotgevallen van het kasteel na de 16de eeuw

Omdat men in 1573 overging tot het verbeteren en verhogen van de stadswallen van de stad Medemblik, verloor het kasteel zijn functie als verdedigingswerk. De opstand van de Nederlanden tegen de Spaanse overheerser heeft ertoe geleid, dat het gravenhuis niet meer werd erkend. Het kasteel behoorde vanaf dat moment aan de 'staat' toe, maar werd uiteindelijk eigendom van de stad Medemblik. In 1578 besloot men tot ontmanteling, hetgeen pas in 1591 plaatsvond. Het noordelijke en westelijk deel, dat wil zeggen twee torens en de schildmuren werden gesloopt. Op een kaartfragment van Medemblik van Paulus Utenwael uit 1599, is duidelijk te zien, dat zowel het grootste deel van de Molkentoren als de gehele noordelijke poorttoren zijn verwijderd. Daarnaast zijn de grachten gedempt, met uitzondering van de oostelijke gracht, die onderdeel ging uitmaken van de singelgracht van de stad Medemblik. Stenen van de twee gesloopte torens werden gebruikt voor een nieuwe stadspoort naast het kasteel te bouwen, dat is de Oosterpoort.

Het kasteel te Medemblik. Fragment van een kaart van Paulus Utenwael 1599
Het kasteel te Medemblik. Fragment van een kaart van Paulus Utenwael (1599). Het toont de situatie na de ontmanteling. De noordelijke twee torens en de weermuur (op de bovenstaande prominent aanwezig) zijn afgebroken. Het onderste deel van de Molkentoren is kennelijk nog intact
(Hoorn, West-Fries Museum)

Het kasteel in gebruik als Hervormde kerk, (naar C. Pronk, 1740)
Het kasteel van Medemblik in gebruik als Hervormde kerk
(naar C. Pronk, 1740).
Hendrik Tavenier (1734-1807): 'Kasteel te Meedenblik 1787'. We zien hier een veruïneerde oostzijde van het kasteel. De noordoostelijke hoektoren is door verval geheel verdwenen, terwijl de resten nog steeds deel uitmaken van de stadswal. De grote zuidoostelijke hoektoren is duidelijk gehalveerd. Het kasteel en Oosterpoort bevinden zich in zeer vervallen staat.

In 1654 werd een hardstenen poort aan de noordzijde gebouwd die toegang gaf aan het kasteelplein en omdat de grote zaal van het kasteel (huidige Ridderzaal) werd gebruikt als hervormde kerk, werd de westelijke vierkante toren verhoogd en in gebruik genomen als klokkentoren.

De hardstenen voorgevel van de ingangspoort uit 1654. Het bijschrift van deze prent meldt:
'Buitenpoort van het kasteel Radbout te Medemblik fecit fa. A. Voskuil 1851'. Waar Voskuil zijn bron vandaan had, is niet bekend. Zeker is in ieder geval wel, dat de poort in 1851 niet meer bestond
Bovenaan de poort bevinden zich drie wapens, links van de stad Hoorn, midden van Medemblik en rechts van Enkhuizen.
Klik hier of op de afbeelding voor een vergroting. (Deze prent is voor deze website ter beschikking gesteld door Carolien van Berge van Kasteel Radboud)
Een uitvergrote uitsnede van een kaart van de stad Medemblik uit 1649 van Johannes Blaeu, waarop het ontmantelde kasteel is te zien.
Een paar interessante kenmerken, zijn de poort en pallisade aan de noordzijde van het slot (zie ook de afbeelding links hiernaast). De houten(?) pallisade uit de zuidzijde van het kasteel die het gebouw met de oostelijke hoektoren verbindt, mogelijk vanwege het ontbreken van de stenen weermuur aldaar.
(Bron: Kaartencollectie van de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam)

Blijkens de eerste kadastrale minuut van Medemblik, is het duidelijk dat reeds voor 1825 de resten van de zuidwestelijke hoektoren ('Bottelarijtoren') tot aan de grondvesten waren gesloopt. In 1857 ging men over tot de sloop van de zuidoostelijke hoektoren ('Gevangenistoren') en de oostelijke poorttoren ('Oude Poorthuis'). Dit gebeurde in combinatie met de toenmalige stadspoort (Oosterpoort). Het vrijgekomen puin werd vervolgens gebruikt voor de dijkversterking.

Toen men zich voor het kasteel ging interesseren en het in 1889 aan het Rijk werd overgedragen stond er niets meer dan de twee vierkante zijtorens en de twee woonvertrekken. Alles in bouwvallige toestand.

In 1881 werd het kasteel in zijn geheel opgemeten in aanloop van de restauratie van 1890. (Zie hiervoor een aparte pagina: Overblijfselen van het Kasteel te Medemblik. Opmetingen in 1881).
In 1890 ging men over tot grondige restauratie, waarbij o.a. de zuidwestelijke ronde hoektoren vanaf de funderingen opnieuw werd opgetrokken.

In het begin van de 20ste eeuw werd het terrein rond het kasteel zwaar ontsierd door allerlei gebouwen. Nadat in 1931, de pal naast het kasteel gelegen conservenfabriek afbrandde, is men kort daarna overgegaan tot ontmanteling van het kasteelterrein. Hierbij werd de fundering van de noordwestelijk hoektoren opgemetseld (1938) en de grachten weer opnieuw uitgegraven.

Zoals eerder gerefereerd in dit artikel, werd in de jaren 1963-1966 opnieuw een restauratie uitgevoerd. Met als belangrijke verandering dat de neogotische elementen, die tijdens de restauratie van 1890 werden aangebracht werden verwijderd. De geveltrap bij ingang die destijds loodrecht op de gevel stond, werd vervangen door een trap langs de gevel.

Het huidige bouwplan (schematisch) van kasteel Radboud inclusief de veranderingen die in de loop der eeuwen hebben plaatsgevonden.
Het huidige grond- en bouwplan (schematisch) van kasteel Radboud inclusief de veranderingen die in de loop der eeuwen hebben plaatsgevonden. Dit overzicht is vanwege nieuwe inzichten aangepast.
De toren rechtsonder, is zoals hiervoor reeds is gezegd, tot aan het maaiveld, vanaf de fundering twee keer opgemetseld geweest: De eerste keer in 1938, op de originele fundering (rood) en voor de tweede keer in de zestiger jaren van de vorige eeuw, doch dit keer met een geringere omvang (lila).
De zuidwestelijke toren (magenta) werd in het begin van de 19e eeuw afgebroken, doch tijdens de eerste restauratieperiode, in 1890 in zijn geheel gereconstrueerd.
Het tegenwoordige bovenaanzicht van Kasteel Radboud.
Afbeelding: Google Earth

Voetnoten:

1. Ik ben zo vrij om eveneens te refereren naar gesprekken die ik had met Drs. Michiel Bartels van Archeologie Hoorn/West-Friesland in november 2010. En het mailcontact dat ik met hem had in 2018.
2. Eén toren (de zuidoostelijke) was reeds opgemeten en op een kadasterkaart uit ca. 1825 vastgelegd. Daarnaast werd deze toren op meerdere tekeningen van o.a. Roelant Roghman en Cornelis Pronk, robuust en prominent, afgebeeld. Evenals de Molkentoren had deze een grote oorspronkelijke diameter (ca. 10,3 meter) en een flinke hoogte. Omdat dit goed is gedocumenteerd, kon men hieraan niet verder knoeien. Het nu aanwezige straatwerk, toont op de plaats van deze toren een redelijke reconstructie van de diameter.
3. Nationaal Archief; Archief van de Graven van Holland, 3.01.01, 1990, rekening van Bartolomeus van Raaphorst, baljuwschap van Medemblik, 1386.

Geraadpleegde bronnen en literatuur:
(Lit. 1, P.S. Teeling, H. Langereis, p. 98-100)
(Lit. 5, J.W. Groesbeek, p. 294-303)
(Lit. 6, H. M. van den Berg, p. 179a)
(Lit. 7b, A.I.J.M. Schellart)
(Lit. 10a: H.L. Janssen)
(Lit. 10b: W. van Leeuwen)
(Lit. 11: P. E. van Rijen, p. 83)
(Lit. 47, G. Ros-de Korte, p.17)
(Lit.48, J.G.N. Renaud, p.159-171
(Lit.91, R. Gruben, J. Kamphuis, A. Viersen, p. 150-152)
(Lit. 179, B.G. Dijkhuis)
(Lit. 192, B.G. Dijkhuis)
(Lit.212, B.G. Dijkhuis, p. 5 en verder, 39, 42
(Lit. 213, Gruben, R. en N. de Jong-Lambregts, p. 90-92
(Lit. 214, M. Gumbert-Hepp, J.P. Gumbert, p. 167)
(Lit. 215, B.G. Dijkhuis).

[Home]