Twee volksverhalen omtrent het kasteel van Medemblik.

(Door Ben Dijkhuis)(update 03-04-2016)

De kalkput

In het boek 'Spoken en Kastelen' van Anton van Oirschot (Lit.111, A. van Oirschot) is een luguber volksverhaal opgenomen over het kasteel van Medemblik. Deze handelt over de Friese koning Radboud (Fries: Redbald) die, ca. 600 jaar voordat Floris V zijn dwangburcht liet bouwen, daar zelf een versterking had laten neerzetten. Tijdens de strijd tegen de christenen, zou hij zijn krijgsgevangen mee hebben genomen naar zijn kasteel en ze daar levend in een kalkput hebben gedumpt. De betreffende valluik, waardoor de slachtoffers een verschrikkelijk dood tegemoet gingen, zou nu nog in het kasteel te zien zijn.
Radboud zou een dochter hebben gehad, die de slachtoffers probeerde te helpen (hoe en wat ze dan deed, wordt niet vermeld). Op een bepaald moment zou zij, tijdens haar illegale activiteiten, zijn betrapt en zou daarna als straf, getooid met een doornenkroon in een kerker zijn opgesloten.

Nadat het meisje was vrijgekomen kreeg zij een gouden kapje, om de littekens op haar hoofd, die veroorzaakt waren door de doorns te verbergen. Op deze wijze zou de 'gouden kap' van de West-Friese klederdracht in gebruik zijn geraakt. Nadat de Franken, onder leiding van Karel de Grote de Friezen had onderworpen, vluchtte Radboud naar Denemarken. Pas eeuwen later zou Floris V op de resten van Radboud's sterkte het huidige kasteel hebben laten bouwen. Het verhaal bevat eveneens een spookverhaal-element, namelijk dat het gekerm van de slachtoffers van de kalkput nu nog te horen is.

Ing. Teeling schreef, mogelijk in dit verband, over een legende van een heksenziel, in een oude muurtoren van Kasteel Radboud. (Lit. 137, P.S. Teeling).

Het verhaal van Anton van Oirschot is integraal opgenomen op de website van www.cultuurwijs.nl

Onduidelijke bron

West-Friese klederdracht met kapje op de linker afbeeling. Hier voorzien van een zgn. gouden oorijzer en zilveren kapspelden.
Schilderijen van Cornelia Gabriëlse, 1947. De portretten zijn van (links) Saartje Koster (1850-1922) en (rechts) haar echtgenoot Arian de Goede (1845-1902). Deze portretten zijn in 1947 geschilderd in opdracht van Mr. Arian de Goede te Utrecht en bevinden zich in het West-Fries museum te Hoorn. De afbeeldingen zijn door Julius de Goede voor deze website ter beschikking gesteld.
De bron van de kalkput-legende was aanvankelijk onduidelijk. De schrijver van Oirschot, heeft volgens eigen opgaven een krantenartikel uit het Vrije Volk (28-05-1960) geciteerd. Waar het Vrije Volk op zijn beurt, zijn bronnen vandaan had, is mij niet bekend. De huidige museummedewerksters van kasteel Radboud, die ik in 2008 had gesproken, zijn van dit verhaal eveneens op de hoogte, maar kunnen dit evenmin met bronnen verifiëren.

Marijan Bakker is in 1951 in het kasteel geboren en heeft daar twaalf jaar gewoond. Haar moeder, die destijds de rondleidingen in het kasteel verzorgde, was op de hoogte van deze kalkputlegende. Marijan Bakker weet helaas niet, waar haar moeder het verhaal vandaan heeft. Deze kennis van vóór 1960, komt dus niet uit het hierboven genoemde krantenartikel.
Het verhaal van een kalkput is mij ooit ter ore gekomen tijdens een gesprek van enkele Medemblikkers, zij wisten mij zelfs te melden dat tijdens de laatste restauratie (1962 t.m. 1967) menselijke skeletten in een put(?) waren aangetroffen, hetgeen uiteindelijk loze praatjes bleken te zijn. Daarentegen bleek er wel een put gevonden te zijn met rood en geglazuurd aardewerk, door de Medemblikker predikant W. Hoogendoorn in 1963 (Lit. 190, J. van Leeuwen)

Als nieuwe aanvulling op mijn zoektocht viel mijn oog op onderstaande foto uit een (kranten?-)artikel, waar het kalkputverhaal overduidelijk is bevestigd. Gezien de gebruikte spelling, moet dit artikel in ieder geval van vóór 1934 zijn geweest.

Foto uit de collectie van www.medenblik.nl.

Tegenstrijdigheden

Op zich is het idee van zo'n kalkput op een verdedigbaar kasteel niet zo gek, als men bedenkt dat bij een langdurige belegering met veel slachtoffers, dit een handige manier kan zijn om van lijken van de gesneuvelden af te komen. De slotgracht was daarvoor geen geschikte plaats. Bovendien zou het boven de grond bewaren van de lichamen, na verloop de tijd een ondragelijk stank veroorzaken. Kalkputten werden overigens, tijdens de middeleeuwen gebruikt om kalkmortel uit ongebluste kalk te bereiden.

Het door Oirschot genoemde (ronde) luik en de vermeende plaats van de kalkpunt, bestaan inderdaad en bevinden zich onderin de zuidoostelijke ronde hoektoren van het kasteel. Ware het niet, dat deze toren nog vóór 1825 tot aan de fundering toe was gesloopt. Pas aan het einde van de 19e eeuw is de betreffende toren naar een idee van de architect Kuipers opnieuw herbouwd (Zie: Verder verval in de 19eeeuw gestopt.). Met andere woorden, de vermeende kalkput en valluik zijn dus eind 19e eeuws!

Twee keer een fantasievoorstelling van koning Radboud der Friezen. Links een ingekleurde gravure uit de Pier Winsemius, Chronique ofte Historische geschiedenisse van Vrieslant (1662). Rechts een deel van een schilderij dat zich het stadhuis van Medemblik bevindt, van een 17e-eeuwse(?) anonieme schilder.
Zoals gezegd is het huidige kasteel van Medemblik niet door Radboud gebouwd, maar pas aan het einde van de 13e eeuw door de Hollandse graaf Floris V. Het verhaal, dat Raboud (648-719) ooit tijdens zijn leven, een sterkte op de plaats van het huidige kasteel had, is gebaseerd op een verhaal uit de in 1517, in Leiden uitgegeven Divisiekroniek van Cornelis Aurelius. In ieder geval is de naam Radboud hardnekkig tot op de dag van vandaag, met het kasteel verbonden, zodat het nog steeds de naam Kasteel Radboud draagt. Goed archeologisch onderzoek in en om het kasteel heeft nooit plaatsgevonden, op enig goedwillend amateuristisch zoekwerk na. Dit laatste vond plaats tijdens de restauratiewerkzaamheden in de 60-er jaren van de vorige eeuw. Tot zover bekend, zijn er dus geen gebouwrestanten van vóór de 10e eeuw aangetoond. Het is overigens niet uitgesloten dat, gezien het economische belang van Medemblik in die tijd, er wel een sterkte geweest zou kunnen zijn, doch hoogst waarschijnlijk niet op de plek van het huidige kasteel. De vraag is dan: waar dan wel?

Toch nog een aanknopingspunt uit een ver verleden

In J.P. Wiersma's boek, Friesche sagen (Leeuwarden 1934), blijkt een variant van dit volksverhaal te bestaan en heeft als titel Fostedina en de gouden kap. Deze legende is gebaseerd op een onderdeel uit een zeer oud biografisch heiligenverhaal (een zgn. hagiografie), de Vita Willibrordi ('Het leven van Willibrord') van de Angelsaksische monnik Alcuin (Alcuinus van York, AD 735-804).

Kaart van Helgoland in de situatie tijdens het jaar 800, 1500 en 1649. Kaart van Mathias en Clauss Peters uit 1664.
(Collectie Scheepvaartmuseum, gevonden op de website van Het Geheugen van Nederland)

Volgens deze 'Vita' was Willibrord nog een jonge missionaris toen hij zijn bekeringstochten buiten het Frankische rijk ondernam. Aanvankelijk kwam hij bij de Friezen, alwaar het geen zin had om koning Radboud te overtuigen en ging vervolgens op weg naar de Deense stammen, alwaar de woeste en geweldadige Ongendus (geïdentificeerd als Beowulf) heerste. Het lukte hem uiteindelijk om zeven Denen tot het christendom te bekeren en die vervolgens op zijn tocht mee te nemen. Onderweg strandde hij door een storm, op het eiland Fositeland (waarschijnlijk het eiland Helgoland), dat op grens van de Denen en de Friesen lag. Dit eiland was naar de Germaanse god van de rechtspraak, Fosite, genoemd. Willibrord pleegde heiligschennis door drie personen van het eiland in de, door de heidenen heilig verklaarde bron, te dopen en vervolgens het bevel te geven om wat vee te slachten om hem en zijn volgelingen van voedsel te voorzien. De koning van het eiland was woedend, toen hij het nieuws over de heiligschennis vernam, liet hij als wraak, drie dagen lang, drie keer per dag het lot vallen op een persoon, die vervolgens geofferd werd. Doch zoals God zijn dienaren beschermde, viel het lot niet op Willibrord en de zijnen, op één na, die de (gouden?) 'kroon der martelaren' ontving (Lit. 141, Alcuinus/C.H. Talbot).

De volksoverlevering 'Fostedina en de gouden kap' geeft een andere wending aan het bovenstaande verhaal uit de 'Vita'. Op het schip dat Willibrord en zijn gezelschap naar Medemblik voerde, bevonden zich ook het hoofd van Fositeland en zijn dochter Fostedina. Fostedina raakte zeer onder de indruk van het geloof en besloot de gevangengenomen bekeerde Denen, die gedood zouden worden, te bevrijden. Radboud onstak in woedde en sprak de doodstraf over haar uit en besliste, dat zij aan de goden geofferd zou worden. Radboud's zoon Adgilis wilde hier een stokje voor steken en riep het volk op om deze schanddaad niet te accepteren. Door de druk van het Friese volk, werd Radboud gedwongen zijn besluit te herroepen en bepaalde dat Fostedina mocht blijven leven, doch als straf moest zij een dag lang een doornenkroon op haar hoofd dragen. Dit leed onderging zij blijhartig en na haar thuiskomst ontving zij van het volk van Fositeland een gouden kap, waarmee het gouden oorijzer werd uitgevonden (Lit. 140, J.P. Wiersma)
.

De onderaardse tunnel

Dit volksverhaal vernam ik uit een artikeltje van Ing. Teeling uit 1968. Hieronder een citaat uit dit artikel (Lit. 138, P.S. Teeling):

"Dhr. Houkes die de jaren dóór een grote belangstelling heeft behouden voor de stadsgeschiedenis van Medemblik, raakte al in 1918 in de ban van het kasteel Radboud. Tijdens zijn eerste rondgang werd hem door de toenmalige concierge voorgehouden, dat er een onderaardse gang had gelopen vanaf Radboud door de toenmalige dijk tot het punt waar de dijksgracht een hoek maakt en waar een grondverhoging was, ongeveer in de nabijheid van het monument van wijlen Burgemeester Peters. Die geheime gang kon worden gebruikt bij ontsnappingspogingen tijdens de vele belegeringen van het Kasteel. Maar ja, toen omstreeks 1930 langs de Pekelharinghaven een hoofdriool werd aangelegd met een uitmonding in de buurt van de eendenvijver, en toen er dus een zeer diep sleuf moest worden gegraven, was men uiteraard uiterst benieuwd naar die legendarische onderaardse gang. Helaas voor de stadsromantiek is er met uitzondering van een rest van een gemetselde regenput toen niet gevonden."

Het deel van de voormalige stadswal van Medemblik, waardoor de tunnel vanuit het kasteel zou lopen. Teeling gebruikt voor stadswal in zijn artikel, de term 'dijk'.
(Uitsnede uit de kaart van Medemblik door Johannes Blaeu)
De huidige situatie.
(Google Earth)

Teeling gaat verder en haalt er nog een legende bij:

"Ook niet de resten van de zeemeermin, die volgens die Friese Kroniek nabij het kasteel Radboud eens gevangen werd. Spijtig genoeg heeft dhr. Houkes deze Kroniek niet meer in zijn bezit. Spijtig ook wellicht voor de oudheidkundige vereniging, waarvan het archief best zo'n oude en zeldzaam te krijgen kroniek zou kunnen gebruiken."

De legende over de onderaardse tunnel van het kasteel naar de voormalige stadswal, laat een overeenkomst zien met een soortgelijk volksverhaal uit Schellinkhout en Wijdenes. Deze verhaalt dat er ooit een tunnel bestond, die vanuit het kasteel van Wijdenes naar de Steenen Kamer in Schellinkhout liep. Dit is niet de enige parallel met de kastelen van Medemblik en Wijdenes. De legenden vertellen ook, dat beide kastelen van Floris V op de restanten of funderingen van een ouder kasteel of fortificatie zijn gebouwd. Het kasteel van Wijdenes op de plaats waar Roelof van Winesse zijn residentie had, en Medemblikker slot op de funderingen van koning Radboud's koninklijk verblijf.
(Zie voor het laatste het artikel: Legenden en mythen omtrent het Medemblikker slot.)

Ben Dijkhuis, 14 juni 2008 (laatste revisie 13 februari 2016)


Geraadpleegde bronnen:

(Lit. 111, A. van Oirschot)
(Lit. 137, P.S. Teeling)
(Lit. 138, P.S. Teeling)
(Lit. 140, J.P. Wiersma)
(Lit. 141, Alcuinus/C.H. Talbot)
(Lit. 190, J. van Leeuwen)

[Naar boven][Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]