Middeleeuwse dwangburchten van West-Friesland en Alkmaar
[Home][Kaart][Introductie][English ][Burchten/kastelen chronologie][Overige objecten][Artikelen][Pre-Hollandse periode][Gegevens- en bronnen]

[Terug naar inhoud chronologie]      [Home]

Aan de monding van de Rekere

Huis te Nuwendoorn: Een kasteel in aanbouw in de 13e eeuw.

(Update 06-07-2020)
Huis te Nuwendoorn in de 14e eeuw.→

Reconstructie van de Nuwendoorn.
Reconstructie van het Huis te Nuwendoorn. (Tekening: Ben Dijkhuis)

Bij het begin van het offensief tegen de West-Friezen (ca. 1272) had de Hollandse graaf Floris V een aantal maatregelen genomen om zijn strategie verder uit te breiden.
Onder de rook van Alkmaar werden zo rond 1270/1272, wellicht zelfs eerder, twee burchten neergezet: De Nieuwburg en de Middelburg. Beide kastelen beheersten de doorgang vanuit Alkmaar naar de Vronergeest (het gebied tussen Oudorp en Vronen) en vormden samen met het oude slot Torenburg (bij de stad Alkmaar) een sterk drietal. Deze activiteit moet tegen het licht worden gezien van een periode toen hij een uitvalsdijk door het drassige land, tussen de zandrug van Alkmaar en de hoge geestgronden van Vronen (waar nu het huidige Sint Pancras ligt) liet aanleggen. Deze dijk (nu: de Munnikenweg) had tot doel om de toegankelijkheid naar West-Friesland te vergroten. De aanleg van de dijk en de kastelen, vond overigens niet zonder slag of stoot plaats.

Daarnaast, verrezen in 1282/1283 na de bezetting van oostelijk West-Friesland, de burchten in Wijdenes en Medemblik. De locatiekeus voor de vijf burchten van Floris V was zeer waarschijnlijk niet gebaseerd op een bewuste 'grand strategie', maar eerder op basis van bestaande verdedigingsstructuren langs de omringdijk, dat hem toevallig goed uitkwam. Dat laatste geldt mogelijk niet voor het Huis te Nuwendoon (Lit. 123).
Er zijn zeer sterke aanwijzingen dat de gehele burchtenbouw tientallen jaren in beslag nam. De veronderstelling dat ze snel achter elkaar zijn neergezet blijkt ondertussen op los zand te zijn gebaseerd.

Het is niet uitgesloten dat pas, nadat de West-Friese ambachten zich in 1289 hadden overgegeven, Floris V een aanvang maakte om ter hoogte van de voormalige monding van de Rekere bij de Rekeredam en Krabbendam het huis te Nuwendoorn te laten bouwen.1 Melis Stoke, geschiedschrijver en 'clerc' in dienst van de graaf, beschreef dit kasteel als de beste burcht in het land. Helaas was Floris V niet in staat om het kasteel in aanbouw ooit zelf te aanschouwen omdat hij in 1296 om het leven werd gebracht. In een periode tijdens het laatste conflict met de West-Friezen in 1297, werd het kasteel, dat nog in aanbouw was tot op de funderingen na vernield. Na de brute moord op Floris V in 1296 en daartoe aangezet door de bisschop van Utrecht, Willem van Mechelen, kwam een deel van de bevolking in zijn gebied in opstand.
Toen West-Friezen na de belegering van het Muiderslot, vandaar al plunderend terugtrokken, veroverden zij onderweg het kasteel te Wijdenes en verwoestten deze tot de grond toe. Waarna ook de Nuwendoorn werd aangevallen. Het kasteel te Medemblik werd bestormd en zijn bewoners uitgehongerd.

De Nuwendoorn was toen nog niet voltooid en was nog niet sterk genoeg om verdedigd te worden en werd zwaar beschadigd.... Het kasteel Medemblik hield stand tegen de belegering en werd door de grafelijke troepen, onder leiding van Jan van Avesnes (Jan I van Henegouwen) ontzet.
Men gaat er vanuit dat de Nieuwburg en Middelburg niet in dat beruchte jaar zijn beschadigd, hoewel dit voor de Nieuwburg niet helemaal zeker is. In 1299 werd, na de bloedige slag bij Vronen (1297), uiteindelijk vrede gesloten met de rebellerende West-Friezen. Dit vond mogelijk plaats op de Torenburg. De latere opvolgers van Floris V: de graven uit het Huis van Henegouwen hadden de taak op zich genomen om zowel de Nuwendoorn als de Nieuwburg te herstellen.
Feitelijk duurde het pas tot een periode na 1300 dat het huis te Nuwendoorn in gereedheid was gekomen. Pas in 1321 werd door graaf Willem III (van het Henegouwse Huis), een kastelein aangewezen, dat was Jan I van Polanen.

Locatie van het huis te Nuwendoorn in de huidige situatie.Een voorstelling naar A.A. Beekman (1900) voor het jaar 1300. De locatie van het huis te Nuwendoorn is met een pijl gecorrigeerd. Beekman positioneerde deze bij Schoorldam.

Uitsnede van een kaart van de Zijpe door Baptista van Doetecum (1600). (Bron: Zuiderzeecollectie; Zuiderzee Museum Enkhuizen, objectnr. 022058. Creative Commons licentie: CC BY-SA 4.0).
Eerst iets over omgevingscontext rondom het huis te Nuwendoorn.
Vanaf de 12de eeuw was er een belangrijke behoefte om het dreigende overstromingsgevaar vanuit de zeearm de Zijpe en de Rekere, te weerstaan. De Rekere was een veenrivier, die vanaf de Schermer een open verbinding tussen Alkmaar en de Zijpe, vormde. Dit werd door diverse bedijkingsprojecten voor de Rekere gerealiseerd. Naast Rekeredijk (ten oosten van de Rekere)(ca. 1196) (Lit. 226), de Schoorlse zeedijk (ten westen van de Rekere)(na 1231), en een afdamming bij Alkmaar (1254/55), werden meer noordelijk in ca. 1200 en 1264, de Rekere met resp. de Schoorldam (mogelijk deels mislukt) en de Rekeredam aan de monding van Rekere (heden: Oude Schoorlse Zeedijk) aangelegd. (Lit. 224)
Het is gebleken dat het Huis te Nuwendoorn, juist bij de oude monding van de Rekere een belangrijke positie had, met name voor bewaking van de waterwegen die vanaf Zijpe richting Alkmaar liepen. Zoals gezegd kan men hier nog moeilijk praten over een militair object (dwangburcht), maar eerder van een economisch gerelateerd gebouw.
Vanwege de afdamming van de Rekere, kon deze niet meer als directe waterweg in de richting van Alkmaar dienen. Nieuw onderzoek als voorbereiding voor archeologie aan de Nuwendoorn, uitgevoerd door Guus van den Berg (Lit. 124), toonde aan dat deze verbinding met de Zijpe plaatsvond via een sluis in de Rekeredam en dat vandaar er een vaarweg naar Alkmaar werd ontsloten. De sluis, eigenlijk een 'nieuwerwetse sluis' had mogelijk geleid tot de naam van het landgoed waarop het kasteel was neergezet: 'Nieuwe Deuren'. Deze zogenaamde 'bypass'-theorie wordt iets uitgebreider besproken in een apart artikel: Inzake de naam Nuwendoorn.

Wat zeker is, dat de heren van Egmond in de omgeving van de Zijpe veel in de melk hadden te brokkelen. Veel van het land had men al eeuwen in bezit, maar ze hadden ook een flink deel van de graven in leen. Er is een opmerkelijke aanduiding op een kaart uit 1600 van Baptista van Doetecum, hierop staat een stukje buitengedijkt land aangegeven met het opschrift: "Grave van Egmonts uutlant"

Het is ironisch dat Floris V de visserij van de Nuwendoorn en van een waterloop met de naam Roxvliet ooit in leen gaf aan Willem van Egmond, die het op zijn beurt in 1292 ruilde met Gerard van Velsen, de moordenaar van Floris V (1296). (Lit. 93)
Zo blijkt uit een oude inventaris van het nationaal archief in Parijs:

"Eschange originelle fait par Guillaume seigneur d’Egmont et Gerard van Belsen a des pescheries de Nievendoren, Rochxflieten de l’an 1292."

"Willem heer van Egmond ruilt met Gerard van Velsen de visserijrechten van Nuwendoorn en Rochxflieten"

Een fraaie reconstructie van het Huys te Nuwendoorn, vanuit verschillende standpunten gezien. Geprojecteerd in het huidige landschap.
(Afbeeldingen: Remco Cevat.)

Huis te Nuwendoorn in de 14e eeuw.→

Voetnoten:
1. In diverse schriftelijke bronnen, voornamelijk kronieken, wordt de naam 'Huys te Nuwendoorn' bijna niet genoemd. In plaats daarvan wordt als naam vaak 'Eenigenburg' gebruikt. Het is niet uitgesloten dat dit inderdaad een reële naam is voor het kasteel is, terwijl huis te Nuwendoorn meer een aanduiding is dat het kasteel op een stuk land, met de naam Nuwendoorn (Nuwendoren, Nieuwe Deuren, Nieuwendoorn) is gebouwd. Overigens levert dit wel veel verwarring vanwege de naam van het buurtdorp Eenigenburg.

Geraadpleegde bronnen en literatuur:
(Lit. 3, D. Kransberg, H. Mils)
(Lit. 5, J.W. Groesbeek)
(Lit. 11, P.E. van Rijen)
(Lit. 13, F. Diederik)
(Lit. 17, D.P. van Wigheren)
(Lit. 19, P. Noordeloos)
(Lit. 93, A.C.F. Koch, J.G. Kruisheer, E.C. Dijkhof, V, p.278, nr. 2784)
(Lit. 124, G.T.C. van den Berg; p. 17,18, bijlage 2/p.34)
(Lit. 213, R. Gruben, N. de Jong-Lambregts, p. 93)
(Lit. 224, J. Westenberg, p. 31-40)
(Lit. 226, C. Streefkerk, p. 47)


[Volgende] [Home]