De Nuwendoorn herbouwd.

Slotvoogden in de 14e eeuw.

De ondergang.

De kasteleins (slotvoogden) van de Nuwendoorn:


Het Huis te Nuwendoorn, of kortweg de Nuwendoorn, werd tijdens de bestorming van de West-Friezen in 1296 in zijn geheel afgebroken, maar werd volledig herbouwd. Op 5 augustus 1321 werd aan Jan van Pollanen, door Willem III (van Henegouwen), het kasteleinschap van het kasteel toevertrouwd. In principe werd hij voor het leven benoemd. Na zijn dood zou het weer aan graaf Willem weer teruggegeven moeten worden. Pollanen ontving hiervoor 150 pond per jaar, voor zijn onderhoudskosten, inclusief de kosten van de 15 man die in het kasteel gelegerd waren. Graaf Willem beloofde om ten tijde van oorlog of onrust hem, ter bestrijding van de extra onkosten, een extra vergoeding te geven. De graaf zou het benodigde oorlogsmateriaal en wapentuig leveren: geschut, blijden en wapenuitrustingen (noot 1). Of Jan van Pollanen op het kasteel zelf heeft gewoond is nog maar de vraag.

De betrekkelijkheid van een dwangburcht is hier duidelijk, je kunt met 15 man per dwangburcht onmogelijk heel West-Friesland beheersen. Het is wellicht wel voldoende om de burcht als uitvalsbasis te behouden en de nabij gelegen doorgang (te water of te lande) te controleren en beheersen, maar de bevolking hou je daarmee fysiek niet in toom.

Jan van Pollanen was een edelman, die vaak aan het grafelijke hof aanwezig was. Naast de Nuwendoorn bezat hij ook nog eens de heerlijkheid Breda en de burcht 'Oud-Haerlem' bij Heemskerk (meer over kasteel 'Oud-Haerlem'). Hij bleek een goed zakenman. Waarschijnlijk heeft hij de Nuwendoorn al voor zijn overlijden in 1342 al van de hand gedaan, wegens andere aantrekkelijke beleggingen.

In 1343 kondigt zich een andere kastelein aan: Boudijn (Boudewijn) Jan Barthoudz. (Baertz.), een bastaardzoon van Jan Barthoudz. van Schoten. Hij was slechts enkele maanden slotvoogd.

Jan van Egmond (1438-1516). Uitsnede van een anoniem schilderij.
(New York: Metropolitan Museum of Art. The Friedsam Collection, 32.100.118, 122) )
Zijn opvolger was Jan van Egmond (1344/45). Volgens de grafelijke rekeningen, waarin Jan van Egmond tot 1366/67 voorkwam, kreeg hij een jaarslaris van 30 pond. Dit bedrag werd later verhoogd tot 40 pond. Daar kwam wel bij dat hij zijn onkosten, die te maken hadden met het onderhoud van het kasteel, bij de graaf mocht declareren.

Er wordt bijvoorbeeld in 1345, melding gemaakt van onderhoudskosten ten bedrage van 65 pond 9 schellingen en 10 denier.

Op het kasteel waren mensen aangesteld: de slotbewaarders. Deze lieden werden direct door de rentmeester van de graaf uitbetaald. Maar hun declaraties aangaande het onderhoud van het kasteel werd meteen uitbetaald aan degenen die werkzaamheden daadwerkelijk uitvoerden. In iedere grafelijke rekening kwam wel een post 'onderhoud' voor.

Een voorbeeld van zo'n post (1351/52) is de uitbetaling van 45 schellingen aan Jacob, de "glasemaker", voor de onderhoudsinspectie van de vensterglazen. Hij leverde 30 voeten nieuw glas en was twaalf dagen met de werkzaamheden bezig.

Jan van Egmond had behoorlijke belangen in de streken van het noorden van Holland. Hij bezat ook de helft van een sluis bij de Nuwendoorn, maar ook het dorp Huisduinen (en omgeving), alsmede de ambachten van Petten en de Zijpe.

Watersnood.
(Anonieme houtsnede uit Sebastian Münster: Cosmographia universalis, Bazel 1552).
Na 1366/67 werd de Nuwendoorn niet meer genoemd in de grafelijke rekeningen. Op een mistige wijze verdwijnt het kasteel plotseling uit de geschiedenis: in 1392 is er geen sprake meer van het kasteel. In elk geval is het duidelijk dat het slot geen nut meer had voor de graven. Het zou kunnen zijn dat het kasteel zwaar was beschadigd door overstromingen. Het is bekend dat de grafelijke rentemeesters geen inkomsten uit de landbouw konden innen vanwege verzilting van het land. Zou er geen geld meer geweest zijn om de Nuwendoorn weer op te knappen?

Een andere mogelijkheid is dat het kasteel ten onder is gegaan bij de Sint Elizabethsvloed (1421). Archeolisch onderzoek liet echter zien dat er eerder een overstroming had plaatsgevonden, omstreeks 1350-1370.






Voetnoten
Noot 1. (NA; Archief van de Graven van Holland 324; fol.6r-6v):
Wi Willaem grave van Henegouwen, van Holland etc. maken cond allen luden dat wi Janne van Pollanen onsen trouwen man bevolen hebben ende bevelen onse huys tote Nuwendoren in Vriesland te verwaren ende te houdene tote sinen live, met vijftien mannen die upt huys bliven sullen wel te houden ende te verwaren. Ende voer sinen cost ende van siere knapen sullen wi hem alle jare doen betalen anderhalf hondert pond Hollands, die ene helfte tote Alreheylighen daghe ende die ander helfte tote onser Vrouwen lichtmisse daer na, ende aldus van jare te jare ten twien tiden voers. also langhe als hi levet. Ende daer bi so sal hi onse huys voers. spisen ende te reke houden op sinen cost, ende altoes tote enen jare wel ghespiset alse den huse toe behoerd, sonder arghenlist. Ende also als hi nu onse huse voernoemt ghehavicht ende te reke vint, so sullent ons sine erfnamen na siere doet des ghelike op leveren jof onsen erfnamen. Ende also langhe als hi levet so sal hi thuys voers. houden ende verwaren tote onser behoef, ende sal altoes onse open huys bliven. Ende na siere doet so zal thuys voerscreven weder an ons comen jof an onsen erfnamen. Ende wi sullen hem leveren hoestalle, bliden, armborsten, ghescot ende alle were dat den huze toe behoert op onsen cost; ende dat selve sullen si ons weder levren na siere doet, het en ware dat ghebesicht ware in onse oirloghe. Ende waer dat sake dats noet dede van oerloghe, dat wi meer luden dan vijftien mannen opt huis voernoemt wilden hebben, van also vele meer luden alse boven den vijftien mannen daer op comen souden om thuys helpen te houden ende verwaren, souden wi hem horen cost redelic betalen bi onsen rentemeyster van Kenemaerland ende van Vriesland. Ende onbieden narenstelike ende bevelen onsen rentemeister van Kenemaerland ende van Vriesland die nu es jof hier na wesen sal, dat hi Janne van Pollanen alle jare betale ten daghen voerscreven die anderhalf hondert pond Hollands alle jare also langhe als hi levet, sonder ander ghebot van ons te hebben; ende dat hi van hem neme telken paymente die hi hem doen sal van also vele sijn open brief van quitantien mede jeghens ons te rekenen; ende dat hi des niet en late.

Hier over waren die bisscop van Zuden, die abt van Middelburch, mayster Jan van Florenche, haer Symon van Bentem, Willaem die camerlinc, Willem veren Baerten sone, Enghebrecht onse rentemeister van Noirtholland, Mathijs Renghiers sone ende Gheret van Leyden.

In orkonde etc. Ghegheven tote Dordrecht des woensdaghes voer sinte Laurens daghe int jaer ons Heren Mo CCCo een ende twintich.

Geraadpleegde bronnen en literatuur:
(Lit. 3, D. Kransberg, H. Mils)
(Lit. 5, J.W. Groesbeek)
(Lit. 17, D.P. van Wigheren)

[Naar boven]         [Vorige][Kaart][Volgende] [Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]