De heilige Ansfried

(Graaf en bisschop)

Door Bernd Ooijevaar

(Update 10-09-2016)


Gouden beslag op het 11e eeuwse evangelarium van Ansfried.
(Utrecht, Rijksmuseum Het Catherijneconvent)
Ansfried (Ansi-Fritu betekent Vrede-Gods) werd omstreeks 940 nChr. geboren uit een adellijk Brabants geslacht als zoon van graaf Lambertus van Leuven. Als kind volgde hij opleidingen aan de domschool van zijn oom Robert (aartsbisschop van Trier) en aan die van Bruno (aartsbisschop van Keulen, gestorven 11 oktober 965). Deze laatste introduceerde zijn leerling aan het hof van diens broer, koning Otto I de Grote (936-973). Ansfried werd zwaarddrager en vertrouweling van deze koning en vergezelde hem naar Rome in 962. Otto de Grote was daarheen gezonden door paus Johannes XII om hem te helpen tegen de invallende Saracenen. Bij deze gelegenheid werd de koning door de paus tot keizer gekroond op 2 februari 962 (op 26 mei 961 was zijn zoon Otto II (973-983) reeds tot koning gekroond).

Ridder en graaf

Ansfried was een ridder die faam maakte in zijn succesvolle strijd tegen de Noormannen en tegen diverse opstandige edelen in Brabant. Om die reden was hij zeer geliefd bij de Duitse keizers, hetgeen resulteerde in diverse giften. In het oudst bewaard gebleven archiefstuk van Nederland (thans berustend in Limburg) wordt graaf Ansfried genoemd. Het is een op perkament geschreven oorkonde uit het jaar 950, behorend tot het archiefbestand van het kapittel van Thorn. In deze akte, gedateerd 7 oktober 950, schenkt koning Otto I aan zijn leenman Ansfried het markt- en muntrecht te Kessel.

Emperor Otto II (973-983)
(Dortmund, Harenberg Kommunikation)
Emperor Otto III (983-1002)
(München, Bayerische Staatsbibliothek, Clm 4453, fol.24r)
Als graaf van Hoei(I) en Teisterbant(II) nam Ansfried deel aan veldtochten van de keizers. Hij zou uitgroeien tot een van de machtigste edelen van het rijk en werd op 26 juni 985 door Otto III (983-1002) begiftigd met bezittingen in Inferior Maselant en een deel van de tol, de munt en de cijns van Medemblik benevens andere goederen in comitatu Frisie vocatu(III). Algemeen aangenomen wordt dat met Maselant het gebied rond de maasmonding wordt bedoeld, maar er zijn aanwijzingen dat Maselant in de omgeving van Kessel gezocht moet worden. Ook ontving hij uitgebreide bezittingen van zijn ooms en tantes, waaronder Toxandrie met de gouwen Strijen en Rijen. Wat betreft de ligging van de goederen in comitatu Frisie vocatu; hier tasten we in het duister maar volgens Blok is het aannemelijk dat we de goederen in de omgeving van Medemblik moeten zoeken. Halbertsma weerlegt dit echter en gaat er vanuit dat dit bezittingen in het huidige Friesland betreft.

Hilsundis

Ansfried trouwde met Hilsundis (soms ook Hereswith genoemd) van Strijen. Zij zou bijna de geschiedenis ingaan als de overspelige vrouw want meerdere malen was zij gezien toen ze 's nachts heimelijk het slot verliet:

"...In minnenijd ontstoken, volgt hij [Ansfried] den volgenden nacht in het geheim hare [Hilsundis] schreden, maar hoe veranderde zijn nijd in zelfbeschuldiging, zijne verachting in eerbied, toen hij haar te midden van de stilte des wouds op de drempel eener kapel zag nederknielen en haar hart hoorde uitstorten voor God…".

Ansfried volgt Hilsundis
(Lit. 84, P.J. Kloppers)

Volgens sommigen schrijvers bleek het wantrouwen onterecht....

Klooster

Beeld van Hilsundis uit de parochiekerk van Thorn
(Thorn, Museum den Stiftskerk.
Foto: Herman Selier)
In 992 stichtte Ansfried met zijn vrouw een benedictijns klooster in Thorn(IV) aan de Maas (in het bisdom Luik) alwaar hun dochter Benedicta de eerste absis werd. Enkele goederen uit het bezit van Hilsundis werden aan deze abdij geschonken, deze goederen waren ooit door koning Zwentibold (gesneuveld op 13 augustus 900 tijdens een veldslag aan de Maas) aan het land van Strijen geschonken. We lezen o.a. over de volgende goederen: de Maria kerk van Strijen, de plaats St. Geertruidenberg, het domein Gillensta (Gilze), het domein Baerle en het kasteel Sprundel, gelegen aan de rivier Moerwater in Noord-Brabant. In de 11e eeuw werden er voor het eerst munten geslagen in het klooster Thorn. Dit waren kleine zilveren muntjes, denier of penning genaamd, die nu zeer zeldzaam zijn. Opvallend is de relatie tussen Ansfried en de muntslag, zowel in Kessel, Medemblik als Thorn bezat hij (een deel van) het muntrecht.

Bisschop van Utrecht

Na zijn vrouws dood wilde Ansfried zich in een klooster terug trekken maar op bisschop Notker van Luik's aanbeveling benoemde de vorst hem in 995 tot bisschop van Utrecht als opvolger van bisschop Boudewijn. In eerste instantie weigerde Ansfried dit die, vooral na het overlijden van zijn vrouw, de voorkeur gaf aan het sobere bestaan als monnik. Desalniettemin liet hij zich overhalen en werd door de aartsbisschop van Keulen tot bisschop gewijd. Het is de vraag in hoeverre de aanstelling van Ansfried tot bisschop een strategische zet van het bisdom is geweest. Met Ansfried haalde men niet alleen een militair aanvoerder in huis, ook wist men dat hij zijn talrijke bezittingen mee zou brengen. De wellustige Noormannen, maar ook de graven van Holland vormde een al grotere bedreiging voor het geestelijke goederen bezit van het sticht Utrecht. Het in 995 vacant geraakte graafschap Hoei kwam toe aan bisschop Notker van Luik en het graafschap Teisterbant aan Unruoch, waarmee Ansfried, naar men aanneemt, een familieverwantschap had. De inkomsten en goederen te Medemblik vervielen aan het bisdom.

Medemblik

Hoe het Medemblik verder verging - tussen het bisdom en het graafschap - valt nog te bezien; dit is een uiterst gevoelige materie die nauw samenhangt met de West-Friese guerrilla, de dwangburchten en de uiteindelijke inlijving bij het graafschap Holland. De grote vraag blijft of de Hollandse graven terecht aanspraak maakten op West-Friesland.

Dreiging van de Noormannen (Vikingen)

Vloot van Vikingschepen, overgenomen van het tapijt van Bayeux
(Uit: Platenatlas t.b.v. het onderwijs, ca. 1920
)
Als bisschop nam Ansfried deel aan staatkundige en kerkelijke bijeenkomsten in het Oost-Frankische rijk, dat vanaf de tiende eeuw beter het Duitse Rijk kan worden genoemd. Hij versterkte de stad Utrecht tegen de dreiging van de Noormannen. Toen zij in 1006 een grootscheepse invasie pleegden, gaf Ansfried de opdracht aan Utrechtse kooplieden om hun eigen huizen in brand te steken. Dit geeft duidelijk aan hoe groot de dreiging van een dergelijke invasie was. Het was blijkbaar geen slechte zet, want bij het zien van de smeulende puinhopen vertrokken de Noormannen naar elders....

Beeld van Ansfried uit omstr. 1929 van J.E. Brom in de Ansfriedkerk te Amersfoort
(Lit. 82, M.P.M. Muskens)
In 1006, te Lokhorst vlakbij Amersfoort stichtte Ansfried het St. Paulusklooster Hohorst waar hij zich regelmatig terug trok. Daar nam hij de zorg voor armen op zich en verpleegde hij zieken. In Maselant stichtte hij nog een monasterium waar de plaatsnaam Monster van zou zijn afgeleid. Dit klooster werd later eigendom van de abdij Hohorst.
Vijf jaar voor zijn dood werd hij nagenoeg blind en trok zich terug op de Hohorst alwaar hij op 3 mei 1010 overleed. Ansfried werd bijgezet in de St. Maartenskerk te Utrecht. Vlak voor zijn dood had Ansfried bepaald dat hij in de abdij van Hohorst begraven wilde worden maar de inwoners van Utrecht hadden heel andere plannen met het lichaam van hun geliefde bisschop. Toen er tijdens de begravenis in een van de kloostergebouwen brand uitbrak zagen de Utrechtenaren hun kans waar. Het lichaam van Ansfried werd in een bootje gelegd om naar Utrecht te worden gebracht. De Hohorstenaren grepen daarop hun wapens maar Ansfried's dochter Benedicta wist de boel te sussen en uiteindelijk is iedereen gebroederlijk naar Utrecht gevaren. Ansfried had al tijdens zijn leven de reputatie als heilige, zelfs bij de heidenen.

Tot op heden bestaat te Amerfoort de Ansfriedkerk alwaar zich een beeld van Ansfried bevind die gemaakt is omstreeks 1929 door J.E. Brom.

Bernd Ooijevaar, 10 oktober 2006


Ansfried op een West-Friese zegel?

Voetnoten:
I. Hoei (Frans': 'Huy'), ligt aan de Maas in de provincie Luik in België
II. Teisterbant, voormalig graafschap tussen Vlaardingen en Tiel dat lag ingesloten tussen de rivieren Lek, Maas, Waal en de IJssel.
III. Comitatu Frisie vocatu:
-comitatu: tot het hof behorend;
-Frisie: Friesland;
-vocatu: oproeping, opontbod
Vrij vertaald: [goederen] in Friesland die voor deze [voor de afgifte aan Ansfried] aan het hof [heilige Roomse keizerrijk] toebehoorde.
IV.Vertaling van de akte uit 992 van de stichting van de abdij van Thorn:
(Bron: (met dank aan:) Baarle Digitaal)

In naam van de Heilige en ondeelbare Drie-eenheid heb ik, gravin Hilsundis van Strijen, in het verlangen om Hem te volgen, die de Bruidegom van de Maagden is, na overleg met mijn heer Ansfried, een kerk gebouwd in mijn leengoed van Thorn, waar ik en mijn dochter Benedicta in deze wereld zullen leven onder de regel van de heilige gehoorzaamheid om te verdienen dat wij het toekomstig leven, bekleed met witte gewaden, tussen de Engelen mogen verschijnen bij het oordeel van de rechtvaardige Rechter.
Derhalve, mij vrienden makende van onrechtvaardige mammon, heb ik tot voornoemde kerk bijgedragen al het vrije goed, dat de roemruchte Koning Zwendibold vroeger aan mijn land Strijen geschonken heeft. Vooreerst de kerk zelf van Strijen, die gewijd is ter ere van de Maagd Maria; Mons Littoris [Overberg], tegenwoordig Sint-Geertruidenberg, waar de gelukzalige Gertrudis lichamelijk verbleven heeft en een bidplaats heeft die door de H. Amandus is ingezegend; het domein Gillensta, tegenwoordig Gilze met omgeving; het domein Baarle met het altaar ter ere van de H. Remigius, Belijder, dat door mij is gesticht; het kasteel Sprundel met alles wat er bij behoort, zoals het gelegen is aan de rivier Moerwater, het bos om varkens te houden, zoals het daar ligt tussen de twee Marken, met alle rechten, gemene gronden, een tol, een molen, cijnzen, weggeld en waterafvoeren in weiden, bossen, bebouwde en onbebouwde landerijen, woeste gronden, boerderijen, in nat en droog, hoog en laag, zoals ik Hilsundis, dienstmaagd van Christus, en mijn voorouders dit bezeten hebben. Geen voorspreker (of voogd) zal er zijn dan degene, die de broeders en zusters van het klooster van Thorn zullen gekozen hebben: en als iemand door snode inborst of door ingeving van de duivel het mocht wagen zich hierin te mengen, dan zal de Keizer, die de heer der wereld is, hem veroordelen, want hij is de wettige voogd van het klooster. Ik bezweer mijn erfgenamen, de Heren van Strijen, bij Hem die was en die komen zal, dat zij geen twist of slechte ondernemingen beginnen tegen deze mijn schenking, maar mijn dochter en haar congregatie beschermen met wapens en gerechtigheid. Al wie anders handelt, moge delen in de straf van Dathan en Abiron, en deze overtreding zal hem niet vergeven worden, niet in dit leven noch hiernamaals. Zo zij het. Zo zij het.
Gegeven te Thorn in het jaar 992, de eerste juni.

Getuigen waren: Johannes, Abt van Pantaleon, F. Balduinus, Overste van Dirca, G. Decanus en onze soldaten Francis van Dingha, H. van Emelberga, G. van Sandert, onze kasteelheer, D. Dapifer, en de dienaren van de bisschop Christophorus, G. Hurdus. Gelukkig in de Heer.



Gebruikte bronnen/literatuur:
(Lit. 81, H. Thurston)
(Lit. 82, M.P.M. Muskens)
(Lit. 83, N.N.)
(Lit. 84, P.J. Kloppers)
(Lit. 85, Div)
(Lit. 86, D.P. Blok)
(Lit. 87, H. Halbertsma)

[Naar boven][Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]

>