Bengaert Say; de corrupte kastelein van Medemblik

Door Ad Kamma

(Dit artikel verscheen eerder in de Jaaruitgave van de Oudheidkundige Vereniging 'Medenblick'; nr.18; 2010; p. 22-27)

Bengaert Say, kasteelheer van Medemblik in de periode 1441 - 1466, vulde zijn bevoegdheden nogal ruim in. Hierdoor ging hij meerdere keren zijn boekje te buiten. De kastelein was betrokken in diverse, niet al te frisse, zaakjes. Zelfs moord werd hem ten laste gelegd. Dat resulteerde in rechtszaken, veroordelingen, aanslagen en in verlies van openbare functies. Hieronder volgt de handel en wandel van een foute gezagdrager.


Inleiding

In de jaaruitgave van 2008 is een nadere beschouwing van de figuur Bengaert Say in het vooruitzicht gesteld. Aanleiding hiervoor is de veronderstelling dat deze kastelein wel eens misbruik gemaakt zou kunnen hebben van zijn ambtelijke bevoegdheden. Dit artikel maakt duidelijk dat de bestuurder Say het inderdaad niet zo nauw nam met de regel dat een gezagdrager integer dient te handelen en niet uit moet zijn op persoonlijk gewin.

De kastelein of slotvoogd was beheerder van een kasteel. Deze taak stond meestal niet op zichzelf, maar in combinatie met andere voorname functies, zoals baljuw, schout of dijkgraaf. Naast rechtspraak kon ook belastinginning tot de taak van de kastelein behoren. De landsheer verkreeg op deze wijze een voorpost van het bevoegd gezag in de region ter behartiging van zijn belangen. De onderstaande verhandeling is in hoofdzaak gebaseerd op de in 1983 gepubliceerde studie van mw. R.I.A. Nip; 'Benagart Say, een 15de eeuws ambtenaar'1. Verder dient opgemerkt te worden dat niet alle (recht)zaken worden behandeld waarin Bengaert Say op de een of andere wijze verwikkeld was.

Bengaert Say was geen Medemblikker

Ook in de vijftiende eeuw viel de herkomst van lokale gezagsdragers veelal niet samen met de plaats waar ze hun openbare functie uitoefenden. Dat was met Bengaert Say niet anders. Hoewel geen geboortedatum en plaats van herkomst van hem bekend is wordt algemeen aangenomen dat de Say's afkomstig waren uit de omgeving van Schiedam. Ook wordt aangenomen dat de vader van Bengaert in de jaren 1438-1440 rentmeester was van Zuid-Beveland. De heerlijkheid Zuid-Beveland was in 1433 als eigen bezit aan Jacoba van Beieren toegewezen, toen zij in 1433 afstand van haar landen had gedaan. De jonge Bengaert zou vanwege deze omstandigheden de kans hebben gehad om een ambtelijke loopbaan te starten in de omgeving van Jacoba van Beieren.
In 1437/38 trad Bengaert met Pieternel van Egmond van Merenstein, dochter van Otto van Egmond, in het huwelijk. Deze Otto was in de periode 1436 en 1440 baljuw van Kennemerland en West-Friesland. Door dit huwelijk kwam Bengaert in ridderlijke en invloedrijke kringen te verkeren, hetgeen hem later goed van pas kwam.

Procureur-generaal aan het Hof van Holland

Afb. 1 Zeventiende-eeuwse prent van de Ridderzaal
Aan de naam van Bengaert Say is een duidelijke primeur verbonden; hij was namelijk de eerste procureur-generaal van het Hof van Holland ook wel Raad van Holland genoemd. De vroegste vermelding van Bengaert Say dateert uit 1434. Daaruit blijkt dat hij vanaf 20 juni 1434 als procureur-generaal bij het Hof van Holland in dienst was. Dit hoogste bestuurs- en rechtscollege was op 3 juli 1428 ingesteld door hertog Filips de Goede en gravin Jacoba van Beieren. Opgericht in Delft maar vanaf 1434 permanent gevestigd in Den Haag op ongeveer de plaats van de huidige Ridderzaal.

Het ambt van procureur-generaal was één van de vernieuwingen die Pilips de Goede, hertog van Bourgondië, invoerde toen hij in 1433 als landsheer de alleenheerschappij over Holland en Zeeland had verworven.
De procureur-generaal was een belangrijke figuur. Deze ambtenaar was rechtsvorderaar namens de landsheer en functioneerde ook op andere gebieden als diens zaakwaarnemer. Hij kon enkel optreden met toestemming van het Hof van Holland en meestal werkte hij in diens opdracht. Het wordt niet aannemelijk geacht dat de procureur-generaal vaak rechtstreekse opdrachten van de landsheer ontving. Zijn taken waren zeer divers; hij deed onderzoek naar misdaden en oproer, trok erop uit om verdachten op te brengen en te ondervragen en stelde de stukken op voor de hoogste rechtbank, het Hof van Holland.
Verder hield hij zich bezig met geschillen over leengoederen en privileges, kwam op voor weduwen en wezen en beschermde de bezittingen en belangen van de landsheer.
Of Bengaert Say rechten had gestudeerd is niet bekend. Wel blijkt uit zijn werkzaamheden als procureur-generaal dat hij een juridisch geschoold man geweest moet zijn. Say heeft gedurende twee periodes het ambt van procureur-generaal uitgeoefend: de eerste periode liep van 20 juni 1434 tot 16 december 1439 en zijn tweede termijn begon op 27 juli 1447 en eindigde op 20 juni 1448. Beide keren lijkt het dienstverband te zijn beëindigd vanwege gevoelige rechtszaken, waarin hij op andere titel dan die van procureur-generaal verwikkeld was. Het mag opmerkelijk heten dat hij in de periode 1440-1447 weliswaar geen procureur-generaal was, maar wel taken verrichtte die tot het ambt van procureur-generaal behoorden. Ook trad hij in deze periode op als vertrouwensman namens de hertog, hetgeen nadrukkelijk wijst op een zeer goede verstandhouding met de landsheer.

Aanstelling tot Kastelein van Medemblik

Afb. 2 Het kasteel van Medemblik in 1613, tekening van J. Stellingwerf (1730)
In 1438 verwierf Bengaert Say naast zijn aanstelling tot procureur-generaal tevens het kastelein- en dijkgraafschap van Medemblik. Hij volgde daarmee Willem de Bastaard op. Het jonge echtpaar verhuisde naar Medemblik en betrok het kasteel. Drie zonen - Filips, Jacob en Jan - werden uit dit huwelijk geboren. Of de kinderen hun gehele jeugd in Medemblik hebben doorgebracht mag betwijfeld worden. Bengaert Say beschikte namelijk elders nog over een optrekje. In 1441 had Bengaert van de grafelijkheid een leengoed verkregen. Dit landgoed was gelegen in de noordelijke buurtschap (Nootdorp) van Heemskerk, vlakbij Castricum.
De functie vast kastelein en dijkgraaf had Say niet alleen verkregen vanwege zijn trouwe dienst en grote inzet als procureur-generaal, maar ook door zijn huwelijk met Pieternel van Egmond. Deze verbintenis verplichtte hem tot het voeren van een bepaalde staat van huishouding; 'tot helpe ende vermeringe ende vercompensatie van syne hilick' (huwelijk). Bengaert Say verkreeg het ambt in Medemblik onder dezelfde voorwaarden als zijn voorgangers. Dat betekende dat hij geen bezoldiging ontving, maar samen met de landsheer over veel inkomsten uit het kastelein- en dijkgraafschap kon beschikken. Het schoutambt en de bijbehorende boete-inkomsten vielen hier ook onder. De aanstelling tot kastelein en dijkgraaf was een aanstelling voor het leven.

Kastelein vertoont kapergedrag

In 1438 laaide de oorlog met de zogeheten Wendische steden (Lübeck, Hamburg, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund) op. Say kreeg van de hertog de leiding voor de bouw van de nodige oorlogsschepen door de Westfriese steden. Ook moest hij maatregelen treffen om de kaperoorlog te beteugelen die de Westfriezen op eigen houtje voerden. De Medemblikker kastelein nam deze laatste opdracht kennelijk niet zo serieus op. Daardoor werd hij regelmatig voor het Hof van Holland gedaagd omdat zijn knechten, al dan niet op zijn bevel, een schip hadden opgebracht dat niet aan de vijand behoorde. Het lijkt erop dat Say door dit gedrag uiteindelijk in 16 december 1439 uit zijn functie van procureur-generaal werd gezet.

Bengaert Say; bestuurder met verdacht veel bijbanen

Ook in de late middeleeuwen kwam het voor, bestuurders verschillende bijbanen combineerden. Say was zeer bedreven is het verwerven van bezoldigde functies. Behalve procureur-generaal was Say reeds vanaf 1435 baljuw van Den Haag. Dit ambt werd door hem gepacht. Zoals we later zullen zien kleefde aan het verwerven van sommige bijbanen een luchtje. De uitbreiding van zijn ambten was vooral in de jaren 1438-1440 zeer opvallend. Zo was hij van 1438 tot 1441 schout van Grootebroek en kreeg hij in 1438 het baljuwsambt van Abbekerk, Lambertschaag, Sijbekarspel en Benningbroek. Het jaar daarop werd hij schout van Sijbekarspel en Benningbroek. Eind december 1439 ontving hij een commissiebrief (aanstellingsbrief van de landsheer), die hem het recht verschafte op aanzienlijke inkomsten uit het Oosterbaljuwschap van West-Friesland. En nog is de koek niet op. Een soortgelijke brief bezorgde hem aanzienlijke macht in de heerlijkheid Spanbroek, Obdam en Hensbroek.

In 1441 liep de reputatie van Say de eerste forse deuk op; hij moest bekennen dat hij sommige ambten niet op rechtmatige wijze had verkregen. De toenmalige rentmeester-generaal Willem van Naaldwijk had hem hierbij een handje geholpen door het signet (klein zegel) buiten medeweten van de stadhouder (Willem van Lalaing) voor eigen gebruik aan te wenden. Van Naaldwijk zal ongetwijfeld een forse financiële vergoeding hebben opgestreken voor het op eigen houtje signeren van diverse aanstellingsbrieven. De valse aanstellingen hadden betrekking op de schoutambten van Sijbekarspel en Abbekerk en het Oosterbaljuwschap.

Ook bestaat er twijfel of de door Say verkregen invloed in de heerlijkheid Spanbroek wel rechtmatig was verkregen. Uit onderzoek is overigens gebleken dat in de Bourgondische periode fraude in financiële functies zoals rentmeester-generaal bepaald geen uitzondering was2. Het feit dat men voor het aanvaarden van dergelijke hoge ambtelijke functies vaak diep in de buidel moest tasten en in veel gevallen leningen nodig had, maakte het ambt gevoelig voor frauduleuze handelingen. Het geval van Van Naaldwijk stond daardoor zeker niet op zichzelf. Op 1 september 1441 greep de hertog in; Willem van Naaldwijk werd uit zijn ambt gezet en de stadhouder kreeg de opdracht om de valse aanstellingsbrieven te herroepen. Bengaert Say ontsprong bij deze affaire de dans; niet alleen bleven voor hem vervelende gevolgen uit, ook kon hij blijven rekenen op het volste vertrouwen van de landsheer.

Nieuwe kansen en functies voor Say

In de jaren 40 van de 15e eeuw kwamen de Hoekse en Kabeljauwse twisten (feitelijk een burgeroorlog) weer tot uitbarsting. Het conflict begon als een strijd om de hoogste macht in het graafschap Holland. De machtsopvolging was na het kinderloos overlijden van Willem IV in 1345 namelijk niet duidelijk geregeld. Willem werd opgevolgd door zijn zus, Margaretha van Beieren, maar ook haar zoon, Willem V, kreeg bestuurlijke macht. Dit leidde tot spanningen en mondde in 1349 uit in een oorlog tussen beiden.

Al snel mengden ook steden en edelen zich in het conflict. Hoewel de strijd in naam ging om de bestuurlijke macht in Holland, waren zij eigenlijk meer uit op eigengewin. Aangezien iedere stad andere handelsrechten had, zoals in bier of textiel ('laken'), waren steden uit op het overnemen van handelsrechten van andere steden. Edelen probeerden hun eigen macht en invloed te vergroten.
Het was dus geen strijd om principes en het gebeurde geregeld dat steden en edelen van de ene partij naar de andere overliepen. Vanaf 1425, met het aantreden van Filips van Bourgondië, escaleerde de strijd verder, doordat ook steden uit het noorden van Holland erbij betrokken raakten. Na enkele bloedige gevechten en opstanden, werd de strijd in 1489 voorgoed beslist in het voordeel van de Kabeljauwen.
Die burgeroorlog tussen de Hoeken en Kabeljauwen gaf problemen met de belastinginning (de zogeheten beden). Hertogin Isabella, de echtgenote van Filips de Goede, benoemde Say - samen met Lodewijk van Eck - in 1444 tot commissaris om de problemen met de belastinginning naar eigen inzicht op te lossen. Het jaar daarop (6 december 1445) verkreeg de kastelein van Medemblik een speciale opdracht om de nieuwe bede van zes jaar binnen te halen in het Oosterbaljuwschap van West-Friesland en Wieringen.

Afb. 3 Gestrand schip op de Hollandse kust
In deze periode kan de verstandhouding tussen Bengaert Say en de hertog uistekend genoemd worden en geniet Say het volste vertrouwen van de landsheer. Dat blijkt ondermeer uit het feit dat Say bij afwezigheid van de hertog als diens zaakwaarnemer optrad en andere missies en opdrachten voor de hertog uitvoerde. Voor deze diensten werd hij beloond, eerst met al eerder genoemde leengoed bij Castricum en later met het schoutambt van Vlieland (1441-1449) en dat van Wieringen (1446-1453). Op Vlieland had Say binnen de kortste keren bonje met de eilandbewoners. Wat was namelijk het geval? Hij pachtte dit eiland en het schoutambt voor 11½ pond per jaar. Het aantrekkelijke van Vlieland was natuurlijk de strandvonderij. De helft van deze opbrengst was voor de pachter (Say) en de andere helft voor de hertog. Bij schipbreuk golden er weer andere regels. In dat geval hadden de eilanders recht op 'berggeld'; een derde deel van de lading. Say nam het niet zo nauw met deze regels en eigende zich meer toe dan waar hij ambtshalve recht op had. Bovendien had hij op eigen houtje de Vlielanders een nieuw handvest voorgelegd dat hen bepaalde rechten zou ontnemen. Bij het niet nakomen van de nieuwe regels dreigde hij de eilanders met overbrenging naar het kasteel van Medemblik. De klachten bleven niet uit en resulteerde in een zaak voor het Hof van Holland. Op 17 juli 1443 deed het Hof uitspraak in het nadeel van Say; de oude rechten van de eilanders diende hersteld te worden en Say werd verboden buiten de landsheer om nieuwe regelgeving in te stellen. Zes jaar later werd Say, als gevolg van een ander conflict, gedwongen om de pacht en het schoutambt van Vlieland af te staan aan stadhouder Jan van Lannoy.

Say wordt aangepakt

Afb. 4 Filips de Goede, landsheer van Holland
Zoals hierboven is aangestipt was de politieke situatie in de jaren 40 van de 15e eeuw erg gespannen. Vooral in de steden stonden de Hoeken en Kabeljauwen recht tegenover elkaar. Eén en ander leidde tot gewapende conflicten3. Het herstellen van de rechtsorde was voor Philips de Goede geen gemakkelijke opgave.

Het opbrengen en berechten van onruststokers, het zuiveren van het ambtelijk apparaat en het samenstellen van politiek evenwichtige stadsbesturen vormde daarbij een belangrijke opgave. Voor het aansturen van deze klus had de landsheer iemand nodig die niet was besmet met het Hoekse of Kabeljauwse virus. Hij werd gevonden in de figuur van Gooswijn de Wilde; een juridisch expert die vijf jaar leiding had gegeven aan de Raad van Vlaanderen. Maar ook Gooswijn de Wilde slaagde als president van het Hof van Holland er niet in om de onrust in de Hollandse steden te beteugelen. Uiteindelijk stelde Filips in 1445 zelf weer orde op zaken4.
De Wilde bleek wel de juiste persoon te zijn om de bezem door het Hof van Holland te halen. Dat kan een belangrijke overweging van de landsheer zijn geweest om de Vlaming aan te stellen. Het Hof bestond in die tijd uit bezoldigde en onbezoldigde raadsheren waarvan sommigen geen officiële benoeming konden tonen.
Verder reorganiseerde hij het administratieve systeem; en kwam bijvoorbeeld een bezoldigde griffier voor een betere registratie van akten en vonnissen. De Wilde bleek niet bang te zijn voor de invloedrijke kastelein van Medemblik. Onder zijn bewind van kwam er een uitspraak in een jaren slepende kwestie tussen Say en Pieter Weire, een reder uit Brugge. In 1438 was zijn schip door de mannen van Say ten onrechte opgebracht en Say weigerde een schadevergoeding te betalen. Filips de Goede riep, zeer waarschijnlijk daartoe aangezet door De Wilde, Say tot de orde. De landsheer liet Say oppakken en er werd beslag gelegd op zijn goederen. Uiteindelijk troffen reder en kastelein begin 1447 een regeling. Korte tijd later (27 juli 1447) werd Say opnieuw tot procureur-generaal benoemd.

Beschuldiging van moord

Op zijn tweede aanstelling tot procureur-generaal bleek geen zegen te rusten. In deze periode kruiste De Wilde wederom het pad van de kastelein uit Medemblik. De aanleiding was de moord op Gerijt Jansz. uit Medemblik. Deze was gepleegd door de knechten van de kastelein. De president van het Hof van Holland - Gooswijn de Wilde - beschuldigde Say van doodslag. De kastelein voelde zich in het nauw gedreven en sloeg terug met een niet mis te verstane beschuldiging aan het adres van De Wilde; sodomie. Voor het bewijs van deze onzedelijke handelingen werd zijn negenjarig zoontje Pilips door Say ten tonele gevoerd5. De strijd om invloed en gezag tussen beide hoge ambtenaren was met de loze beschuldigingen volledig ontspoord en vroeg om ingrijpen van hogerhand. Dat ingrijpen werd mede in de hand gewerkt doordat er ongeregeldheden rondom de invulling van het schoutambt van Medemblik was ontstaan. Say had namelijk de hertog verzocht om zijn schoonvader in dit ambt te benoemen, maar verzuimde bij dat verzoek te vermelden dat het Hof van Holland reeds Willem Melisz. in die functie had benoemd. Pilips handelde geheel te goeder trouw en zond de aanstellingsbrief aan Otto van Egmond. Deze liet zich in Medemblik door twee schepenen beëdigen en ging aan de slag. Het Hof van Holland had intussen de hertog van de gang van zake op de hoogte gebracht. Deze herriep op 8 november 1447 de aanstelling van Otto van Egmond en verlangde van de kastelein dat hij alsnog voor Willem Melisz. - vanwege de moord op de schout - zou terechtstaan. De zaak liep verre van vlekkeloos, mede doordat er allerlei politieke perikelen op de achtergrond gingen meespelen. De hertog belastte stadhouder Jan van Lannoy, samen met twee commissarissen, om een onderzoek in te stellen en maatregelen te nemen. Op 20 juni 1448 werd tegen beide ruziemakende ambtenaren een arrestatiebevel uitgevaardigd en werden heren, lopende de rechtszaak, uit hun ambten gezet. Say en De Wilde werden kort daarna opgepakt en overgebracht naar het slot te Heusden. Het onderzoek in de zaak werd groots aangepakt en nam zo'n anderhalf jaar in beslag. Eind 1449 vond op slot Loevestein de berechting plaats. Beide heren werden schuldig gevonden. De vlaamse jurist (Gooswijn de Wilde) werd met uitzicht op de brandstapel tot een bekentenis gedwongen en mocht kiezen tussen de brandstapel en het zwaard (onthoofding). Hij koos voor het laatste6.

Afb.5 Slot Loevestein omstreeks 1621.

Voor Bengaert Say kende de uitspraak een beduidend minder fatale afloop; hij werd voor altijd verbannen, verloor al z'n ambten en zag dat zijn goederen werden geconfisceerd. Echter, bij de ten uitvoerlegging van het vonnis werd weer eens duidelijk dat voor Say altijd uitzonderingen golden. De eeuwige verbanning kwam neer op een verblijf elders van een maand of drie en hij behield het kastelein- en dijkgraafschap van Medemblik. Ook het schoutambt van Wieringen werd hem niet ontnomen.
De berechting van De Wilde en Say heeft in het historisch onderzoek veel aandacht gehad. Noordam geeft onomwonden aan dat De Wilde in zijn ogen het slachtoffer is geworden van een politieke terechtstelling7. Dumolyn benadrukt dat De Wilde vanwege zijn Vlaamse afkomst geen toegang had tot de Hollandse machtsnetwerken. Zaken waarover zijn opponent, Bengart Say, juist wel kon beschikken8. Damen heeft nog op een ander punt gewezen; De Wilde was in tegenstelling tot zijn voorgangers niet van adellijke afkomst en ontbeerde om die reden het nodige aanzien en respect in de hogere lagen van de Hollandse samenleving. En juist dat was van groot belang om te kunnen overleven in de gevoelige Hollandse verhoudingen, aldus Damen9. Ook Nip komt tot een soortgelijke analyse als Damen en wijst bovendien ook op het feit dat Bengaert Say lange tijd een onpartijdige positie innam tegenover de Hoeken en de Kabeljauwen en om die reden de landsheer goed van dienst kon zijn10.

Rechtszaken en aanslagen

De ambtelijke carrière van Bengaert Say kwam na de berechting eind 1449 in duidelijk ander vaarwater terecht.
Hoewel hem net geen banvloek trof, werd wel duidelijk dat de landsheer het niet meer nodig vond om van zijn diensten gebruik te maken. Filips achtte het wel gepast en nodig om de kastelein nog enige tijd met kleine financiële tegemoetkomingen te begunstigen. Het werd evenwel steeds duidelijker dat de loopbaan van Say, als invloedrijk bestuurder, ten einde liep. Geldzorgen en rechtszaken volgde elkaar in het midden van de 15e eeuw in hoog tempo op. Die tegen zijn schoonvader, Otto van Egmond, spande de kroon. Deze zaak sleepte zich eindeloos voort waarbij Say zijn schoonvader ervan beschuldigde dat deze zijn verplichtingen inzake de bruidschat van zijn vrouw Pieternel niet was nagekomen.

Ook de moord op de schout in Medemblik bleef hem achtervolgen. De kastelein had kennelijk zo veel haat gezaaid, dat er 16 jaar na de moord op Gerijt Jansz nog lieden waren die met hem een openstaande rekening wilden vereffenen. Dat gebeurde in Abbekerk in 1463 door Meynert Jansz, de broer van de omgebrachte schout. Hij beraamde samen met vijf kornuiten deze aanslag maar zag deze uiteindelijk mislukken. In de verhoren gaf hij later toe, dat hij de dood van zijn broer wilde wreken, hetgeen jammerlijk mislukte. Het bleef niet bij één aanslag. Enige tijd later werd in Wijdenes nogmaals een aanslag op het leven van de kastelein gepleegd. Ook deze mislukte. De dader, Jonge Jan Jacobsz, bijgestaan door de eerder genoemde Meynert Jansz alsmede enkele andere lieden, had nog een appeltje met Say te schillen. Say had hem het schoutambt van Medemblik ontnomen zonder dat hij het geld dat hij van Jonge Jan Jacobsz had geleend had terugbetaald.

De ambtelijke carrière van Say eindigt in 1467 door valsheid in geschrifte

Ook in de nadagen van zijn carrièe bleef Say de regels rondom integer handelen aan zijn laars lappen. Volgens de aanklacht van de procureur-generaal in 1466 had de kastelein niet alleen valsheid in geschrifte gepleegd, hij had ook brieven en akten in zijn zaak tegen Femme Dircxz vernietigd. De valsheid in geschrifte bestond eruit dat hij de naam 'Dircxz' in officiële stukken had doorgestreept en had vervangen door 'Pietersz'. Say werd opgepakt en naar het Binnenhof overgebracht. Op 27 februari 1466 werd hij in voorlopige vrijheid gesteld mits hij niet het Binnenhof zou verlaten zonder toestemming van het Hof 11. Enkele dagen na zijn voorlopige in vrijheidstelling verweerde hij zich voor het Hof en bekende schuld.
De raadsheren accepteerde zijn verweer op voorwaarde dat Say zijn misdaad niet had begaan uit persoonlijk gewin en verbonden hier een voorwaardelijke boete aan. De kastelein had namelijk aangevoerd dat zijn handelen louter was ingegeven om de hertog de kosten van nieuw op te stellen documenten te besparen. Immers, er was volgens de kastelein geen Femme Dircxz en de stukken waren steeds bij Femme Pietersz bezorgd.

Op 7 maart 1466 spraken de raadsheren van het Hof een arbitraal vonnis uit. Bengaert Say moest voor het Hof zijn misdaad komen bekennen en om vergiffenis bidden vóór de stadhouder in naam van de graaf. Bovendien werd hij veroordeeld tot het betalen van een boete: honderd gouden pieters van negentien stuivers per stuk12. Door het plegen van de valsheid in geschrifte werd hij in 1466 uit het ambt van kastelein en dijkgraaf gezet. Daarmee kwam een einde aan een loopbaan die veelbelovend begon, maar als snel overschaduwd raakte door persoonlijk gewin, list en bedrog. Niet lang daarna is de ex-kastelein en dijkgraaf buiten Medemblik gestorven.

Tot slot

Op grond van het bovenstaande artikel kan geconcludeerd worden dat Bengaert Say een zeer invloedrijke gezagdrager is geweest die lang op bescherming van de landsheer, Filips de Goede, kon rekenen. De wijze waarop hij zijn ambt invulde en omging met de aan hem toekomende bevoegdheden, leek vooral te zijn ingegeven door persoonlijk gewin en minder gebaseerd op bestuurlijke of politieke motieven. In de jaaruitgave van 2008 is kastelein Bengaert Say, tevens dijkgraaf, in het artikel 'De interne strijd (tegen het water) in De Vier Noorder Koggen' een mogelijke een rol toegedicht bij de illegale aanleg van een sluis in de Zomerdijk achter Wognum.
Hoewel uit de procesgang rondom deze sluis bij de Hof van Holland, het hoogste rechtscollege, de naam van kastelein Say niet openlijk is gevallen, is in het proces een duidelijke verwijzing opgenomen dat het bevoegd gezag (kastelein/dijkgraaf) een rol gehad zou hebben in de illegale aanleg van de sluis. De eerder gedane veronderstelling dat Bengaert Say er niet voor terugdeinsde om handelingen te verrichten of te laten verrichten die niet in overeenstemming waren met de aan zijn ambt gekoppelde bevoegdheden en/of verantwoordelijkheden zijn met het bovenstaande artikel nader onderbouwd.

Ad Kamma
Hoogkarspel, 10 augustus 2010


Geraadpleegde bronnen

Voetnoten:

  1. Nip, 65-75.
  2. Damen, 91-92 en W. Blockmans, 707-719.
  3. Damen, 62.
  4. Idem.
  5. Noordam, 21.
  6. In de zogeheten Divisiekroniek (Amsterdam 1517) is kleurrijk beschreven hoe uiteindelijk de terechtstelling in z'n werk is gegaan.
  7. Noordam, 21.
  8. Dumolyn, 210-211.
  9. Damen, 63.
  10. Nip, 72-75.
  11. Le Bailly, 185.
  12. Idem.

[Naar boven][Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]