Middeleeuwse dwangburchten van West-Friesland en Alkmaar
[Home][Kaart][Introductie][English ][Burchten/kastelen chronologie][Overige objecten][Artikelen][Pre-Hollandse periode][Gegevens- en bronnen]

[Terug naar de inhoud overige objecten]     [Home]

Overige gebouwen, sterkten en objecten

Een steenhuis in Medemblik

Een middeleeuws versterkt huis.

Door Ben Dijkhuis
(Laatste update 26-06-2020)

Er is in 2010 een belangwekkende ontdekking gedaan, namelijk het fysieke bewijs dat er een 13e of 14e eeuws versterkt huis heeft gestaan bij Schoorldam tussen de oude veenrivier de Rekere en de westelijke bedijking ervan. Vreemd genoeg was hier niets van bekend vanuit primaire bronnen, alhoewel geschriften uit recentere tijden van een tolhuis spraken. Restanten van dit gebouw werden in het begin van de 18e eeuw nog waargenomen.
Er zijn diverse vermoedens geopperd, dat rond de West-Friese omringdijk meerdere kleine versterkingen hebben bestaan. Van de stenen versterking van Schoorldam wordt gezegd dat het wellicht als voorloper van het Huis te Nuwendoorn diende. Aan de andere kant is het zelfs niet uitgesloten dat dit stenen 'huys', pas na de teloorgang van het laatstgenoemde kasteel, is gebouwd. Wie zal het zeggen?
We kunnen in dit verband mogelijk nog een kandidaat aanvoeren, wellicht een oude versterkt huis in het middeleeuwse Medemblik, dat sinds eeuwenlang van de kaart is verdwenen.

De rol van het Hollandse gravenhuis

De vraag is, wat het moment was dat bepaalde rechten in belangrijke mate zijn overgegaan naar het gravenhuis van Holland, nadat Floris V in 1282 bezit nam van West-Friesland.
Graaf Dirk II (graaf van West-Frisia 965-988) bezat reeds de goederen in Medemblik, terwijl de opbrengsten ook ten goede kwam aan de St. Maartenskerk.
Het is echter de vraag of in Medemblik onder het bewind van de Hollanders, rond 1290, muntslag plaats vond. Er zijn wel enkele zilveren penningen ('kopjes') met de opschrift 'MONE MEDENBLEC' gevonden die tijdens het bewind van Floris V zijn geslagen1). Omdat er slechts enkele exemplaren bekend zijn, is het zelfs aannemelijk dat het hier om gelegenheidsmunten ging en dat deze in Dordrecht werden vervaardigd. Dat de naam Medemblik was aangebracht, zou in verband kunnen staan met de Hollandse overwinning op de West-Friezen. Ondanks dat de muntslag dan waarschijnlijk niet in Medemblik plaats vond, blijkt hieruit wel, dat Medemblik een centrale rol voor het Hollandse Gravenhuis in West-Friesland speelde. Dit laatste wordt nog eens bevestigd door het toekennen van Stadsrechten aan Medemblik op 25 maart in het jaar 1289.

Dat bepaalde rechten van de St. Maartenskerk in Medemblik met de Hollandse ambities conflicteerden is wel duidelijk. Het is niet voor niets dat Roomskoning Adolf in 1292 een oorkonde liet uitvaardigen, waarin men nog eens aan de oude rechten werd herinnerd2):

Hollandse zilveren penning met een zgn. Schots portret op naam van Floris V (1291-1293). Met als opdruk :.F COMES OLLANDIE en op de keerzijde :.MONE MEDENBLEC. Oorspronkelijk in de collectie van het Koninklijk Penningkabinet, Leiden nr. 02690. Deze bevindt zich vanaf 2004 in de Numismatische Collectie bij de Nederlandse Bank.
Hoe het ook zij, Floris V sloot met de bisschop van Utrecht in 1293 een verdrag, waarin bepaald werd dat het bisdom zijn oude rechten behield2). Dat wil niet zeggen dat de onderlinge verhouding zodanig was, dat zij vrij van conflicten was. Dit wordt bijvoorbeeld geïllustreerd, dat kort na de dood van Floris V in 1296, er een monsterverbond tussen de Utrechtse bisschop Willem van Mechelen, de Kennemers en West-Friezen werd gesloten, hetgeen tot een groot offensief tegen de Hollanders leidde, dat uiteindelijk onder graaf Jan II van Avesnes, in het voordeel van Hollanders werd beslecht3).
In ieder geval had de kerk van Utrecht nog enige tijd een deel van de tol van Medemblik in bezit, zoals blijkt uit een handvest uit 1303, dat Guy van Avesnes, bisschop van Utrecht nog de tol regelde van de schepen die tussen Medemblik en Kampen voeren4). Bemoeienis met de tol door het gravenhuis vond in ieder geval plaats in 1323, waarbij Willem III van Henegouwen stelde dat de biertollen van Medemblik en Amsterdam niet ontdoken zullen worden5).

Het was in het voorjaar van 1282 dat Floris V een belangrijke overwinning op de West-Friezen behaalde 6). Het is zeer waarschijnlijk dat hij toen al de opdracht gaf om het kasteel van Medemblik te laten bouwen. Omdat de kastelenbouw de nodige tijd vergt, mogen we aannemen, dat het kasteel in de hoedanigheid van een stenen burcht pas later werd opgeleverd. Tijdens de beslissende overwinning van Floris V op de West-Friezen, dat pas na de St. Luciavloed in december van 12877) plaatsvond, zou zo'n stenen bouw rond deze tijd, maar misschien ook later, gerealiseerd kunnen zijn geweest.
Het is in dit verband dus opvallend dat Floris V reeds in mei 1283, krap een jaar na zijn eerste overwinning in 1282 vanuit Medemblik een oorkonde liet uitgaan8). Het ligt daarom voor de hand dat de graaf gebruik maakte van een reeds bestaand onderkomen. Het is daarom niet uitgesloten dat de eerste bouwfase van het Medemblikker kasteel beantwoordt aan een bouwconstrucite dat op een oudere bouwtechniek is gebaseerd. Deze techniek maakte het kennelijk mogelijk om in een relatief kort tijdsbestek, dat wil zeggen in de orde van weken of maanden, een verdedigbare burcht neer te zetten. Daarbij moet men denken aan een ringburcht in de vorm van een opgeworpen aarden wal met houten palen, met daarin een apart woonverblijf (donjon of zaal). Het is zelfs niet uitgesloten, dat er al een sterkte van Friese makelij aanwezig was, waardoor relatief snel een soortgelijke geschikte burcht was geconstrueerd.

'..als in voirtijden gecomen is van een oudt huus'

De noordelijke aanbouw van het kasteel van Medemblik, afgebeeld op een tekening van Roeland Roghman uit 1647.
Uit een grafelijke rekening van latere datum, had betrekking op de renovatie en bouwkundige aanpassingen aan het Medemblikker slot. Deze rekening verhaalt feitelijk veel opvallende zaken met veel details 9). Dit document, met als opschrift 'Rekenyngen van Bengaert Sey van der tymmerage bij him gedaen anden slote tot Medebliec van zes jaren' (hierna kortweg Tymmerage genoemd), vangt aan in 1438 en stopt in 1446. In het laatste onderdeel dat extra werkzaamheden tussen 1444 en 1446 beschrijft, met name de herconstructie en uitbreiding van de de noordelijke aanbouw aan het kasteel ('nyeuw wairderup'/'nieuwe garderobe', fol. 43r,v). Voor dit doel wordt er melding gemaakt van de aanvoer van 4000 stenen uit Kampen. Dit duidt hoogst waarschijnlijk op bakstenen die, onder andere, vanuit Friesland zijn aangevoerd. Daarnaast maakt men melding dat er stenen zijn getransporteerd vanaf de restanten van een stenen huis uit het verleden, zonder dat daar extra transportkosten voor gemaakt werden. Uit dit laatste valt af te leiden dat dit een meevaller moest zijn geweest voor de kastelein omdat deze stenen kennelijk niet ver van het kasteel en haven waren opgeslagen10):

"Sijmen Harmans soen, vanden voirscreven iiijM steens uut der haven opten huse te dragen, te scrijven ..... xvi groten.

Item, alle steen, uutgesondert die voirscreven iiijM, die andere voirscreven werck verwracht is, ende beloypt veel dusenden als in voirtijden gecomen is van een oudt huus dair om dairoff hier ........Niet. "
(Tymmerage, fol. 49v)

Passage uit de grafelijke onderhoudsrekening 'Tymmerage', fol. 49v

Het is evident dat, als men in die tijd over een stenen 'huis' sprak, dat dit betrekking had op een stenen gebouw met een voorname functie. Het zou bijvoorbeeld een tolhuis geweest kunnen zijn of een versterkt huis met een primaire functie, die door een hoogwaardigheidsbekleder was bewoond. Of het 'oudt huus' met graaf Floris in verband kan worden gebracht is onduidelijk. Er is in ieder geval geen bewijs daarvoor. Is het misschien mogelijk dat een vergelijking met het 'huis' van Schoorldam op zijn plaats is? Mijn eerste gedachte gaat hierbij wel naar uit, maar het blijft echter gissen. Het is in ieder geval zeker dat dit huis zijn functie verloor, zodat het nadien gesloopt kon worden. De stenen werden kennelijk bewaard en vermoedelijk opgeslagen. Uiteindelijk werden ze in ca. 1446 voor het kasteel aangewend.

Door het voorlopig ontbreken van onderzoeksmateriaal is het lastig te bepalen hoe oud het 'oudt huus' moet zijn geweest. Een indicatie zou kunnen zijn als men zou weten welk bouwmateriaal werd toegepast. Waren dit bakstenen (kloostermoppen) of tufstenen blokken? Van het vroegste baksteengebruik in de Lage Landen is het bekend, dat grote kloostermoppen in de 13e eeuw vaker gangbaar werden, voornamelijk voor de bouw van kloosters en kastelen 11). Het 'Tymmerage'-document is zeer nauwkeurig in de omschrijving met betrekking tot het gebruik van specifieke werkzaamheden en het gebruik van bouwmaterialen. Hierin wordt niet expliciet melding gemaakt van tuf- of duivensteen. Voor het metselwerk voor de 'nyeuw wairderup' ('nieuwe opslagplaats' voor kleding en wapenuitrusting) werd wel veel kalk en zand aangevoerd. Het zou ook zomaar kunnen zijn dat men van het 'oudt huus', inderdaad tufsteen vond en deze te vermalen en het gruis (tras) als hardingsmateriaal in het metselkalk mengen. Daartegen valt wel het een en ander in te brengen, zo zijn er geen maalwerkzaamheden in de betreffende rekening genoemd. Als er inderdaad duizenden tufstenen voor dit doel tot tras vermalen zouden zijn, had dit de nodige tijd en arbeidskosten met zich mee hebben gebracht. Gezien de niet aflatende nauwkeurigheid van de beschrijvingen in het document, zou dit duidelijk in de rekening naar voren zijn gekomen. Hetgeen niet het geval is.

Voor eventueel ondersteunend bewijs, biedt de archeologie misschien uitkomst als men in staat zou worden gesteld om de funderingen van de noordelijke aanbouw van het kasteel minitieus te onderzoeken. Het is ons bekend, dat het kasteel zelf met bakstenen is opgetrokken, doch van de samenstelling van de fundering is zo goed als niets bekend, mede wegens het ontbreken van een degelijke archeologische studie. Als men uitsluitend bakstenen vindt in de fundering van aanbouw, zou men aan de hand van de afmetingen de leeftijd van de gebruikte stenen kunnen schatten. Bij aanwezigheid van tufsteenblokken, zou dit op een hogere ouderdom dan de 13e eeuw kunnen duiden.

Voorlopig stapelen zich alleen maar vragen op, die niet, of wellicht nooit beantwoord zullen worden. Wie was de oorspronkelijk eigenaar van het 'oudt huus'? Wanneer werd het gebouwd of verbouwd? Wanneer precies werd het geslecht? Wat was de exacte locatie?

Wellicht is er toch een optie, alhoewel het niet zeker is dat deze betrekking heeft op het 'oudt huus' uit 'Tymmerage'. Wat wel zeker is dat deze wel tot het grafelijk domein in Medemblik behoorde. In een grafelijk register in het Nationaal Archief wordt melding gemaakt van een leentransport van 8 oktober 1371 12). Dat zijn een huis en hofstede en een stuk korenland in Medemblik. De leen is toegekend aan Broeder Volkartsz.:

"Broeder Volkarts zoon heeft minen here wi ghedinghen een huys, een hofstede ende van stucke oeten lands legghenden binnen Medenblic ende twee marghen lands legghende in Spanbroec ende minen here heeft hun dit voirscreven goed weder overlyet ten erfleen binnen eersten leede mit te overstane ghedaen in Den Haghe 's donresdaghes na octobris ande voirscreven latende anno LXXI."
(Bron: Nationaal Archief; Archief van de graven van Holland (AGH); inventarisnr. 227 (Register IIII van akten van hertog Albert, 1358 - 1390) fol. 126v. nr. 811.)

Fragment van het manuscript NA; AGH227; fol. 126v/nr.811

In de collectie aan leentransporten van J.C. Kort, vindt men nog een oudere vermelding van een leentransport van 12 september 1336, die mogelijk op hetzelfde object betrekking kan hebben. Het gaat om een hofstede en 3 Hollands pond per jaar, toegekend door graaf Willem III aan Broeder Papinc. Deze Hofstede grensde aan het leen van Zibrant (de pape), de koster van Medemblik.

"Broeder Papinc leene
Willaem grave etc, maken cond allen luden dat Broeder Papinc ons op ghedraghen hevet ene hofstede ligghende binnen der porte van Medenblic, die beleghen hevet here Zibrant die pape die coster es tote Medenblic op die west zide ende Jelderic Aliken sone op die oestzide, ende die hofstede hevet hi weder van ons ontfaen ten rechten liene. Voirt hebben wi hem ghegheven van ons in rechten liene te houden drie pond Hollands tsjairs, ende bewisen hem die jairlix in te nemen tote sinte Jans misse middesomer ane onsen bailiu van Medenblic; ende ombieden onsen bailiu van Medenblic die nu es jof namaels wesen sal dat hi hem jairlix die drie pond Hollands betale toten termine voirscreven, ende dair of neme aen betoich van quitantie, ende mid dien betoghe sullen wi hem jairlix van also vele quiten in ziere eerster rekeninghe. Ghegheven in die Haghe des donresdaghes na onser Vrouwen dach nativitas int jair ons Heren Mo CCCo ses ende dortich."

(Bron: Nationaal Archief; Archief van de graven van Holland (AGH); inventarisnr. 324 (Groot register Friesland)) fol. 28r. nr. 151.

Fragment van het manuscript NA; AGH324; fol. 28r./nr.811

Het laatste past binnen de bepaling die graaf Willem III op 20 oktober 1325 uitvaardigde, dat er een kapelaan aan het kasteel van Medemblik werd aangesteld. Door de baljuw moest de kapelaan in levensonderhoud worden voorzien, en tevens recht had op een jaarlijkse bijdrage aan kleding en 3 pond Hollands (5 pond zonder kleding).
(Bron: Nationaal Archief; Archief van de graven van Holland (AGH); inventarisnr. 324 (Groot register Friesland)) fol. 19r. nr. 70.
De eerste aanstelling zou mogelijk zijn toegewezen aan meester Boudijn van Medemblik. Dat is afgeleid dat er 3 pond Hollands per jaar werd uitgekeerd.
(Bron: Nationaal Archief; Archief van de graven van Holland (AGH); inventarisnr. 324 (Groot register Friesland)) fol. 19r. nr. 71.


Ben Dijkhuis, februari 2016 (update 09-06-2020)

Geraadpleegde bronnen en literatuur:

  1. Lit. 191, H. Enno van Gelder, p.26.
  2. Lit. 164a, van den Bergh, Oorkonden HZ, II, p. 383 nr. 832 (met dank aan Bernd Ooijevaar voor deze informatie).
  3. Lit. 12, R.P. de Graaf, p. 244,245.
  4. Westfries Archief Hoorn: Inventaris 0715-01 Oud Archief Stad Medemblik (OAM), bergnr. 1221, regestnr. 4.
  5. Westfries Archief Hoorn: Inventaris 0715-01 OAM, bergnr. 1222, regestnr. 7./ Nationaal Archief; Graven van Holland; archiefinventaris 3.01.06 Groot en klein register Amstelland, Waterland en Gooiland; inventarisnr. 316 en 317/ Lit. 166, Mieris II p. 321
  6. Zie Lit. 77, J.G. Kruisheer, Oorkonden II, nr. 642: (zomer 1282). Floris V bericht koning Edward I van Engeland dat hij de Friezen in vier gevechten heeft verslagen en dat hij het lichaam van zijn vader heeft gevonden.
        /Lit. 164a, van den Bergh, Oorkonden HZ, II, nr. 472
  7. W.G. Brill; Rijmkroniek van Melis Stoke, Vierde boek, verzen 480-539
  8. Nationaal Archief, Den Haag, Graven van Holland, toegangsnummer 3.01.01; inventarisnummer 218; f. 52bis, nr. 325bis.
        / Lit. 164a, van den Bergh, Oorkonden HZ, II, p. 211 nr. 477.
  9. Nationaal Archief, Den Haag, Graven van Holland, toegangsnr. 3.01.27.02; inventarisnummer 5002.
  10. (Lit. 192, B.G. Dijkhuis)
  11. (Lit. 193, G. van Tussenbroek, p. 115-132)
  12. (Lit. 72a, J.C. Kort, p. 671-673). J.C. Kort, heeft mogelijk een verkeerde interpretatie van de datum gegeven. Hij geeft 8 mei aan als datum.

[Home]