Floris V, vanwaar 'Der Keerlen God'?

(Door Ben Dijkhuis)


Divisiekroniek

Voor de meeste volkverhalen geldt, dat er altijd wel een bepaalde een kern van waarheid bestaat. Zo is het duidelijk, dat de naam 'Radboud' ettelijke malen met Medemblik in verband is gebracht in het grote compilatiewerk van Cornelius Gerardi Aurelius (Cornelis Geritsz. van Gouda - gelatiniseerd Goudanus, 1460-1531), Cronycke van Hollandt Zeelandt ende Vrieslant (1517), dat beter als de Divisiekroniek bekend staat. Latere historie-schrijvers hebben zich ettelijke malen op Aurelius werk gebaseerd, niet zelden aangevuld met eigen interpretaties. (Zie: Legenden en mythen omtrent het Medemblikker slot)
Het titelblad van een van de uitgaven van de Divisiekroniek of Cronycke van Hollant Zeelant ende Vrieslandt met de beeltenis van Floris V, van Cornelis Aurelius.

'Der Keerlen God'

Fol. 182 de Divisiekroniek van 1517, waarin wordt verhaald waarom Floris V, zijn bijnaam 'Der Keerlen God' kreeg. Klik hier voor een vergroting.
Afbeelding ontleend aan lit. 58, F.W.N. Hugenholz.
Aurelius' werk was feitelijk een samenvatting van de oude geschiedenis en vormde eveneens de basis voor latere geschiedschrijving. Het was de voornaamste bron aan gegevens met betrekking tot de geschiedenis van de Hollandse gewesten. Vanwege zijn populariteit is het werk zelfs tot in de 18e eeuw herdrukt, hetgeen aangeeft dat het van grote invloed op gedachtengang ten aanzien van de middeleeuwen moet zijn geweest. Aurelius putte zijn informatie, zonder kritiek en zonder partijdigheid, van zijn voorgangers, die op hun beurt door andere voorgangers zijn beïnvloed. Uit deze gegevens zijn een aantal verhalen of legenden rond Floris V voortgekomen, die in de Divisiekroniek zijn opgenomen. (lit. 58, F.W.N. Hugenholz)
Het eerste verhaal heeft betrekking op de Floris V zijn welbekende bijnaam: 'Der Keerlen God' ('God van de boeren'), dat hij uit nijd om zijn populariteit, tijdens het ridderen van veertig huislieden, kreeg opgelegd.

[Citaten 19e divisie][Bron: (Lit. 126, C. Aurelius/K. Tilmans)]
Van den vermaerden edelen, die doe in Hollant ende Zeelant waren.
Dat xii. capittel.
"... Ende om sijn ridderscap te vermeren, so ontboet hi op enen Heiligen Kersdach bi hem te hove in den Hage te comen xl die rijcxste ende eerbaerste huysluyden die hi in den lande van Hollant bevinden konde, die wel ghegoet waren ridders staet te houden. Mit desen xl goeden mannen hildt hi hogen hof, ende in 't eynde van der maeltijt so sloech hij se alle ridderen, ende gaf hem elcx hoir wapen, ende beval hem voirtan ridderscap te oefenen ende wel te doen; ende voeren elcxs hoers weges, daen si ghecomen waren. Aldus so eerde die edel grave sijn goede eerbare luyden, die eerbaer ende doechdelic waren van weldaden of van rijc-heden, ende en sach die coemste niet an, mer hij meerde sijn ridderscap ende zijn edelluyden, daer hi hemselven ende zijn lant mede eerde; wanttet ijmmer eerlick is, dat vele ridders in enen lande sijn. Hierom, ende omdat hi zijn goede ende eerbare huysluyden in groter waerden ende lieften hadde, so hadden 's die oude ridderscap sommige groten nijt, ende plagen desen graef te hieten 'der kaerlen god'."

De veroordeling van Gerard van Velzen

Het tweede verhaal is minder fraai, daar deze handelt over de toedracht van de moord op Floris V, met name over de fanatieke rol van Gerard van Velzen, daarin. De werkelijke reden van de moord (1296), zou een wraakmotief zijn, namelijk de verkrachting van Machteld van Woerden, Gerard van Velzen's echtgenote. Hieraan vooraf ging de onthoofding van Gerard's broer.

Van 't ongelijck, dat Gherrit van Velsen geschiede van grave Floris van Hollant, dair veel leets of quam.
Dat xxij. capitel.
"... Die vrouwe geen quaet vermoedende, heeft hem geleit in hair heimelicke slaepcamer. Daer comende heeft hij dye doere vast gesloten, ende sinen opsetten ende wille mit deser vrouwen gedaen ende volbrocht, ende is terstont weder vandaen gereist. Die vrouwe sere bedroeft wesende, heeft alle chierheit van habiten ende cleinoden van haer geleit, bescreyende also haer misval ende gewelt, dat haer was geschiet."

Dit wordt uiteindelijk vervolgd door de pijnlijke en langzame dood van Gerard van Velzen, vanwege het rollen in een met spijkers beslagen ton.

Van den wrake, die om des graven doot worde gedaen.
Dat xxvi. capittel.
"... Die van Leyden hadden Gerrit van Velsen. Desen heren Gerrit worden grote sware pinen angedaen boven enich ander, want hi wert al levende ende naect in enen tonne gesloten, die mit scarpen nagelen ende spikeren vol geslagen was, ende worde also alle die stede van Leyden doer, over alle die straten gerolt; ende nae vele andere sware pinen wort hi al levende op een rat geset ende onthoeft."

Een voorstelling van de veroordeling van Gerard van Velzen op 7 juni 1296, voor hem de spijkerton. Hieromheen zes kleinere scènes waarin de voorgeschiedenis wordt verteld. Bij deze voorstelling verwijst de auteur naar de Divisiekroniek ('Die cronycke van Hollandt', Divisie 19, hoofdstukken 22-26). Deze afbeelding toont naast de hoofdscène, kleine afbeeldingen voorzien van een spreuk met uitleg door middel van een kwatrijn.
Gravure van Experiens Sillemans en Cornelis Danckerts (1621).
(Rijksmuseum, Amsterdam: RP-P-1913-3402. Voor een vergroting van dit 17e eeuwse 'stripverhaal', zie: www.rijksmuseum.nl/assetimage.jsp?id=RP-P-1913-3402)

Ben Dijkhuis, augustus 2011


Geraadpleegde bronnen en literatuur:
(lit. 58, F.W.N. Hugenholz)
(lit. 126, C. Aurelius/K. Tilmans)

[Naar boven][Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]