Een portret van koning Radboud in Medemblik

(Door Ben Dijkhuis)

Fantasievoorstelling van koning Radboud (Redbad) der Friezen. Dit schilderij hangt in het voormalig stadhuis van Medemblik. Anonieme schilder, mogelijk uit de 17e eeuw.
In het voormalig stadhuis van de stad Medemblik, hangt een opmerkelijk portret van de Friese koning Radboud, een kunstwerk dat van zichzelf al een aardige geschiedenis heeft. Ing. Teeling schreef in 1968 een artikeltje, waarin het volgende citaat uit de Chronijk van de stad Medemblik van Dirk Burger van Schoorl (1728) is opgenomen. Men leest hierin het volgende (lit. 138, P.S. Teeling):

"1670. Heeft de Burgemeester Stellingwerf van Medemblik, zijnde doenmaals in 's Gravenhage, aldaar een Schilderij gevonden die daar te koop hing, alwaar de Koning Radboud na t' leven in geschildert stont, met een gouden kroon op zijn hoofd, het wapen nevens hem, heeft het gekocht, en tot Medenblick gebracht. Alwaarom de Burgemeesteren van Medemblik gezamenlijken daar 'n vergulden lijst hebben laten ommaken, en op tT Stadhuis tot Medenblik, in de Burgermeesters kamer voor de schoorsteen geplaatst en opgehangen, tot een eeuwige gedachtenisse. Onder aan deze Schilderije, staat met vergulden Romeinsche letteren, en het schrift in t' Latijn, gelijk ik hebben gelezen op den 11. Juny 1708. gelijk hier volgt"

Teeling citeert de Latijnse tekst, die op het schilderij staat vermeld, als volgt (lit. 137, P.S. Teeling):

"Radbodus Aldegili regis filius, postremus Paganisme Frisiorum Rex, hostis Pipine Crassides Herstalli et filii ejus Caroli Martelli, Principum Franciæ, quibuscum acriter varia fortuna pugnavit: tandem a Wolframo baptizandus offensus responso ejus, pede me lavocro retulit, obiit paula post in infidelitate perseverans anno 734, ut pluris computant, Ex altero filiorum Aldegili nepotes habuit Gaudebaldum Principem, et Rabodum Dominum Frisiae occilentalis, neptem Matrem Frederici VIII, Episcopi Ultrajecti."

Vertaald:
"Radboud, zoon van Koning Aldegil, de laatste heidense koning der Friezen, vijand van Pepijn de Dikke van Herstal en diens zoon Karel Martel, Vorsten van Frankrijk, tegen wie hij hefti en met afwisselende uitslag heeft strijd gevoerd: als hij eindelijk door Wolfram zou gedoopt worden trok hij, verstoord door het antwoord van die Bisschop, zij voet uit het doopvont terug, en is kort daarop, in zijn ongeloof volhardend, gestorven in 734 [Dat moet 719 zijn].
Zijn neven waren Prins Gaudebald en Radboud, Heer van Westfriesland, en een nicht, de moeder van Frederik VIII de Bisschop van Utrecht."

In 1845 hing het schilderij, doch bijna geheel vergaan in de burgemeesterkamer van het oude stadhuis (gesloopt in 1939/1940), waarvan Van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek, melding maakte. Gelukkig bleek er nog een kopie in kasteel Radboud te hangen, aanvankelijk in een donkere hoek van de grote zaal van het kasteel, zodat het schilderij pas na het beklimmen van een lange ladder kon worden bekeken. Toen het origineel niet meer te redden was, bracht men de kopie naar het stadhuis. (Zie ook: Opmeting anno 1881)

Ben Dijkhuis, augustus 2011


Geraadpleegde bronnen en literatuur:
(lit. 137, P.S. Teeling)
(lit. 138, P.S. Teeling)

[Naar boven][Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]